Skip to content
Case Law
NL

Rechtbank Noord-Nederland, 07-07-2026 (C/18/257460 / FA RK 26-3759, C/18/256347 / FA RK 26-3093, C/18/256236 / JE RK 26-847)

Rechtbank Noord-Nederland

Rechtbank Noord-Nederland
Summary

Deze beschikking gaat over de vraag welke kinderbeschermingsmaatregelen nu nodig zijn om de veiligheid en ontwikkeling van de minderjarige te beschermen. De kinderrechter is van oordeel dat beĂ«indiging van het gezag van de moeder over de minderjarige in zijn belang noodzakelijk is, zoals bedoeld is in artikel 1:266 van het Burgerlijk Wetboek. De GI wordt als voogd over de minderjarige benoemd. Hierbij wordt een uitdrukkelijke belangenafweging gemaakt ten aanzien van de vader die het gezag wil verkrijgen, en de zorgen die de Raad op basis van de nu bekende feiten daarover uit. De kinderrechter motiveert dat de beschikking wordt gepubliceerd en legt daarbij uit dat de Rechtspraak op grond van het “Besluit selectiecriteria uitsprakendatabank Rechtspraak.nl 2024” uitspraken publiceert die juridisch of maatschappelijk relevant zijn of waarvoor duidelijke mediabelangstelling bestaat. Publicatie dient de openbaarheid van de rechtspraak, terwijl persoonsgegevens van betrokkenen daarbij worden beschermd door pseudonimisering.

Case Summary

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Familie- en Jeugdrecht Locatie Groningen Zaaknummers: C/18/256236 / JE RK 26-847 (vots en muhp) C/18/256347 / FA RK 26-3093 (schorsing gezag) C/18/257460 / FA RK 26-3759 (beĂ«indiging gezag) Beschikking van 7 juli 2026 over de beĂ«indiging van het gezag over [Naam minderjarige] , die is geboren op [geboortedag] [geboortemaand] 2019 in de gemeente [geboorteplaats] , en die hierna ' [de minderjarige] ' wordt genoemd, naar aanleiding van de verzoeken van: de Raad voor de Kinderbescherming , regio Noord Nederland, locatie Groningen, die hierna 'de Raad' wordt genoemd. De kinderrechter wijst als belanghebbenden aan: [Naam van de moeder] , die woont in [woonplaats] , en die hierna 'de moeder' wordt genoemd, advocaat: mr. [naam van de advocaat] , die kantoor houdt in [plaatsnaam] , de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming Noord en Veilig Thuis Groningen , die is gevestigd in Groningen, en die hierna 'de GI' wordt genoemd. 1 Het (verdere) verloop van de procedure In de zaken met zaaknummers C/18/256236 / JE RK 26-847 en C/18/256347 / FA RK 26-3093 1.1. Het (verdere) verloop van de procedure blijkt uit de beschikking van deze rechtbank van 13 mei 2026. In de zaak met zaaknummer C/18/257460 / FA RK 26-3759 1.2. Deze procedure is ingeleid met een verzoekschrift van de Raad, dat de rechtbank heeft ontvangen op 5 juni 2026. In alle zaken 1.3. Op 10 juni 2026 heeft de kinderrechter de zaken gelijktijdig mondeling behandeld. Hij heeft toen gesproken met de moeder, haar advocaat, drs. [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] , die de Raad vertegenwoordigen, en [naam 4] en [naam 5] , die de GI vertegenwoordigen. 1.4. Ten slotte is bepaald dat vandaag deze beschikking wordt gegeven. 1.5. Omdat de wet bepaalt dat de “kinderrechter” het verzoek over de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing behandelt en de “rechtbank” beslist over de verzoeken met betrekking tot het gezag, moet in deze beschikking onder “de kinderrechter” worden verstaan: de kinderrechter of de rechtbank, afhankelijk van het behandelde verzoek. 2 De feiten 2.1. De kinderrechter kan bij de beoordeling van de verzoeken uitgaan van de volgende feiten die onweersproken blijken uit wat de Raad en de GI hebben gerapporteerd en wat in toelichting en reactie daarop is verteld tijdens de mondelinge behandeling van de zaken. 2.2. [De minderjarige] (7) is geboren uit de relatie van zijn ouders. De vader heeft hem erkend. De ouders hebben niet geregeld dat zij samen het ouderlijk gezag over hem uitoefenen: de moeder oefent daarom van rechtswege dat gezag alleen uit. 2.3. Tot voor kort woonde [de minderjarige] bij de moeder en zag hij de vader vrijwel alle weekenden, waarbij [de minderjarige] geregeld bij de vader logeerde. De moeder werkte niet en ontving een uitkering; de vader werkt in de wegenbouw en verblijft doordeweeks (maandag tot en met donderdag) in Duitsland, waarna hij op donderdag naar huis komt. De ouders hebben een zogeheten “latrelatie”. 2.4. De moeder had een intensieve vriendschapsrelatie met vriendin [voorletter 1] , die samen met haar dochter [voorletter 2] veelvuldig in de woning van de moeder verbleef. 2.5. Op 1 mei 2026 ontvangt de GI via het ouder-kind-huis waar vriendin [voorletter 1] op dat moment verblijft, onthullingen van vriendin [voorletter 1] over de aanleiding van [voorletter 2] haar ziekenhuisopname in februari 2026. 2.6. In het weekend van 2 en 3 mei 2026 vertelt vriendin [voorletter 1] in het ouder-kind-huis over ernstige strafbare kindermishandeling, door haar en de moeder gepleegd ten aanzien van [voorletter 2] Dat geeft aanleiding om een spoedrapportage op te stellen dat op 4 mei 2026 bij de Raad terechtkomt. Daarin wordt beschreven dat vriendin [voorletter 1] verklaart dat [voorletter 2] onder invloed van de moeder gedurende langere periode in de kelder van de woning van de moeder is opgesloten, met kabelbinders is vastgebonden aan een verwarmingsbuis, geen eten kreeg, werd geslagen en geschopt en alleen voor school uit de kelder mocht; deze handelingen zouden door de moeder zijn gefilmd. 2.7. Naar aanleiding van deze informatie wordt de kelder van de woning van de moeder door de Raad bekeken; het betreft een kleine, donkere kelder zonder raam, waar een volwassen persoon niet rechtop kan staan, met enkele opgeslagen spullen en een deken. 2.8. De moeder en vriendin [voorletter 1] zijn op 14 mei 2026 aangehouden en verblijven sindsdien in voorlopige hechtenis op verdenking van onder meer poging tot doodslag, vrijheidsberoving, zware mishandeling en het in hulpeloze toestand brengen en laten van [voorletter 2] De tenlastelegging ziet op de ernstige ondervoeding, het vastbinden in de kelder, het slaan en schoppen en andere mishandelingen. 2.9. Hoewel de moeder geen gezag heeft over [voorletter 2] , speelt de strafbare mishandeling zich volgens justitie hoofdzakelijk af in haar woning en heeft zij zich veelal bemoeid met de zorg en opvoeding van [voorletter 2] , zodat ook jegens haar een verantwoordelijkheid wordt aangenomen voor het leed dat door de moeder van [voorletter 2] aan [voorletter 2] is toegebracht. 2.10. Op 4 mei 2026 maakt de Raad op basis van de beschikbare informatie de inschatting dat [de minderjarige] getuige moet zijn geweest van de ernstige mishandelingen van [voorletter 2] en daardoor zelf ernstig in zijn ontwikkeling en veiligheid is en wordt bedreigd. De Raad gaat op grond van zijn onderzoeksbevindingen ervan uit dat [de minderjarige] langdurig en structureel is blootgesteld aan zeer ernstige kindermishandeling en verwaarlozing van [voorletter 2] in zijn directe woonomgeving, waarbij de ernstige mishandelingen van [voorletter 2] zich veelal in de woning van de moeder hebben afgespeeld. 2.11. De Raad heeft (nog) niet definitief vastgesteld of, en zo ja, op welke wijze en in welke mate [de minderjarige] zelf direct fysiek slachtoffer is geweest van mishandeling. De Raad constateert gelijktijdig dat de gevolgen van het getuige zijn van fysieke mishandeling van [voorletter 2] , voor de ontwikkeling van [de minderjarige] vergelijkbaar is met die van eigen fysieke mishandeling. [De minderjarige] wordt volgens de Raad daardoor ernstig in zijn ontwikkeling bedreigd. 2.12. Gezien de ernst van de bedreiging acht de Raad direct ingrijpen noodzakelijk en hij verzoekt op 4 mei 2026 een voorlopige ondertoezichtstelling en spoedmachtiging tot uithuisplaatsing ten aanzien van [de minderjarige] . 2.13. De kinderrechter wijst deze verzoeken toe. [De minderjarige] wordt diezelfde dag geplaatst in een gezinshuis op een geheimgehouden adres. 2.14. Op basis van aanvullende informatie verzoekt de Raad vervolgens om schorsing van het gezag van de moeder en in samenhang daarmee een voorlopige voogdijmaatregel, met benoeming van de GI als voogd. Ook deze maatregelen worden door de kinderrechter uitgesproken. 2.15. Uit wat verder wordt gerapporteerd over [de minderjarige] voor zijn uithuisplaatsing, wordt duidelijk dat hij bekend was met lichamelijke problemen, waaronder darm‑ en plasproblemen; er was contact met een kinderarts en er werden darmspoelingen voorbereid. 2.16. Uit wat wordt gerapporteerd over [de minderjarige] na zijn uithuisplaatsing, wordt duidelijk dat [de minderjarige] in het gezinshuis goed eet, voor hem nieuw eten probeert en dat hij opvallend weinig voedsel kent. Ook valt op dat zijn eerdere darm‑ en plasproblemen in het gezinshuis niet meer worden waargenomen, waardoor de geplande darmspoelingen niet nodig zijn. 2.17. Bij [de minderjarige] wordt in het gezinshuis een seksuele preoccupatie gezien die niet passend is voor zijn leeftijd: hij pakt veelvuldig zijn geslachtsdeel vast aan tafel, spreekt over “neukende mensen” en bekijkt en ‘liked’ filmpjes op sociale media waarin mensen seks hebben. 2.18. [De minderjarige] vertelt wisselend en vaak warrig over belastende thuissituaties, zoals het smeren met ontlasting waarin [voorletter 2] zou moeten liggen, het bonken van [voorletter 2] haar hoofd op de grond, de aanwezigheid van drugs in de woning en spinnen en slangen in de kelder. [De minderjarige] geeft aan bang te zijn voor die kelder. 2.19. [De minderjarige] weigert een gesprek met de politie, kan niet goed uitleggen waarom en wil ook niet met de GI in gesprek of reageert met ontwijkende antwoorden; hij is alleen naar de gezinshuismoeder opener. 2.20. Na plaatsing in het gezinshuis had [de minderjarige] aanvankelijk frequent (beeld)belcontact met de moeder, deels via zijn eigen telefoon, waarbij hij zijn locatie aan haar doorstuurde. Naar aanleiding hiervan is zijn eigen telefoon ingenomen en is een AOL op het adres van het gezinshuis geplaatst. 2.21. In het contact tussen de moeder en [de minderjarige] wordt door het gezinshuis een dynamiek gezien die eerder op een gelijkwaardige partner‑interactie lijkt dan op een moeder‑kindinteractie die past bij de leeftijd van [de minderjarige] . Daarbij blijkt dat [de minderjarige] gezien zijn leeftijd veel weet van wat er speelt. 2.22. Sinds de aanhouding van de moeder op 14 mei 2026 is er geen contact tussen [de minderjarige] en zijn ouders; [de minderjarige] reageert op de uitleg dat de moeder “bij de politie is om haar kant van het verhaal te vertellen” relatief passief, stelt geen nadere vragen en heeft in de daaropvolgende weken niet gevraagd wanneer hij zijn ouders weer mag zien of spreken. 2.23. In de eerste week na de uithuisplaatsing vraagt [de minderjarige] wel of hij “voor altijd” in het gezinshuis mag blijven wonen. 2.24. In gesprekken met de Raad, de GI en tijdens de mondelinge behandeling erkent de moeder dat [voorletter 2] ernstig en structureel is mishandeld door vriendin [voorletter 1] in haar woning, maar ontkent zij daaraan zelf actief deel te hebben genomen. Zij stelt dat zij soms wel wat heeft gezegd, maar geen mogelijkheden zag om in te grijpen vanwege angst en bedreiging door vriendin [voorletter 1] 2.25. De moeder ontkent dat [de minderjarige] door haar is mishandeld en stelt dat hij niet is geslagen. 2.26. De moeder is thans gedetineerd; het strafrechtelijk onderzoek zal naar verwachting veel tijd in beslag nemen en er is geen zicht op beĂ«indiging van haar detentie binnen een afzienbare termijn. 2.27. De Raad is op grond van deze feiten en omstandigheden tot de slotsom gekomen dat het in het belang van [de minderjarige] noodzakelijk is dat het gezag van de moeder wordt beĂ«indigd en de GI tot voogd over hem wordt benoemd. 3 De (verdere) beoordeling 3.1. Het gaat in de gevoegd behandelde zaken over de nu zeven jaar oude [de minderjarige] . Ten aanzien van [de minderjarige] zijn uiteenlopende kinderbeschermingsmaatregelen verzocht en genomen. Inmiddels is de Raad tot de slotsom gekomen dat het in het belang van [de minderjarige] noodzakelijk is dat het gezag van de moeder over hem wordt beĂ«indigd en heeft de Raad een daarop gericht verzoek gedaan. De Raad heeft daarbij verzocht om de GI tot voogd over [de minderjarige] te benoemen. 3.2. De kinderrechter zal beide verzoeken in deze beschikking toewijzen. Hij legt hierna uit waarom hij vindt dat de gezagsbeĂ«indiging in het belang van [de minderjarige] noodzakelijk is en waarom op grond van de nu bekende feiten en omstandigheden hij vindt, net als de Raad, dat de GI (eerst) tot voogd over [de minderjarige] moet worden benoemd. Waarom vindt de Raad dat het gezag van de moeder moet worden beĂ«indigd? 3.3. De Raad acht het uitermate zorgwekkend dat de moeder een situatie van zeer ernstige en langdurige onveiligheid in haar woning heeft laten voortbestaan, zonder de mishandelingen te stoppen of tijdig adequate hulp in te schakelen, terwijl zij als primaire opvoeder van [de minderjarige] een fundamentele verantwoordelijkheid had voor een veilige opvoedomgeving. 3.4. De Raad stelt vast dat [de minderjarige] hierdoor gedurende langere tijd is blootgesteld aan extreem geweld en een chronisch onveilige opvoedomgeving, met ingrijpende gevolgen voor zijn fysieke, emotionele, psychische en cognitieve ontwikkeling, ook op de langere termijn. 3.5. De Raad ziet geen reĂ«el perspectief dat de moeder binnen een voor [de minderjarige] aanvaardbare termijn alsnog in staat zal zijn de verantwoordelijkheid voor zijn verzorging en opvoeding op een veilige en adequate wijze te dragen, mede gezien de ernst van de verdenkingen tegen haar, de te verwachten duur van het strafproces, haar detentie en het ontbreken van voldoende probleembesef en beschermend handelen. 3.6. Om [de minderjarige] duidelijkheid te bieden over zijn woon‑ en opvoedperspectief en zijn veiligheid duurzaam te waarborgen, acht de Raad het noodzakelijk dat dit perspectief niet langer bij de moeder wordt gezocht, maar bij een neutrale derde. 3.7. De Raad verzoekt daarom de kinderrechter het gezag van de moeder over [de minderjarige] te beĂ«indigen. Waarom wil de Raad dat de GI de voogd over [de minderjarige] wordt? 3.8. Ten aanzien van de vader acht de Raad het op dit moment, gelet op de ernst en complexiteit van de situatie en de nog bestaande zorgen over zijn veiligheidsinschatting, te vroeg om hem met het gezag te belasten. De Raad meent dat binnen de voogdijmaatregel moet worden onderzocht welke rol de vader op langere termijn in de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] kan vervullen. 3.9. De Raad acht in dit verband bovendien het vrijwillige hulpverleningskader gezien de ernst van de zorgen en de ontkennende/bagatelliserende houding van de ouders volstrekt ontoereikend om de ontwikkelingsbedreiging van [de minderjarige] weg te nemen. 3.10. De Raad verzoekt de GI tot voogd over [de minderjarige] te benoemen, zodat een onafhankelijke professionele instantie zijn belangen kan behartigen, de regie kan voeren over contacten en passende hulpverlening kan inzetten. Waar vindt de Raad dat [de minderjarige] moet wonen? 3.11. Zowel de moeder als de vader geven aan dat zij kunnen instemmen met onderzoek naar plaatsing bij opa en oma vaderszijde, met [de minderjarige] in de weekenden bij de vader. De Raad acht het echter aangewezen dat de GI binnen het kader van de voogdijmaatregel onderzoekt wat het duurzame woonperspectief van [de minderjarige] is: bij zijn vader, bij zijn grootouders of elders, en welke rol de ouders nog kunnen spelen in het leven van [de minderjarige] , steeds beoordeeld vanuit het belang van [de minderjarige] . Wat vindt de moeder van het verzoek? 3.12. De moeder heeft verteld, samengevat weergegeven, dat zij [de minderjarige] mist en dat zij bij de vorige mondelinge behandeling op advies van haar strafrechtadvocaat nauwelijks heeft kunnen verklaren, maar nu haar verhaal wil doen. 3.13. De moeder erkent vervolgens een aandeel in de gebeurtenissen, maar betwist dat zij [de minderjarige] zelf heeft mishandeld en ontkent ook dat hij in de kelder heeft gezeten. De moeder ervaart dat zij net als beide kinderen, zelf slachtoffer is van het geweld van vriendin [voorletter 1] , die haar sloeg, haar hand brak en tegen wie [de minderjarige] vaak moest ingrijpen. 3.14. Volgens de moeder zijn haar herhaalde zorgen over [voorletter 2] niet serieus genomen, heeft zij achteraf grote spijt dat zij [voorletter 2] niet zelf uit de situatie heeft gehaald, en werden de door haar geuite zorgen door vriendin [voorletter 1] gebagatelliseerd en door de omgeving “door de vingers gezien”. 3.15. Zij voert verder verschillende signalen aan waarin [voorletter 2] uitspraken deed over seksueel grensoverschrijdend gedrag door de vader van [voorletter 2] De moeder verwijst naar derden die zij ook bij naam noemt, die hierover iets zouden hebben gehoord of (bij haar) gemeld, waarmee zij de stelling van vriendin [voorletter 1] weerspreekt dat alle verhalen over seksueel misbruik zouden zijn gelogen. De moeder beschrijft ook een ernstig incident waarbij vriendin [voorletter 1] een groot mes aan [voorletter 2] gaf en haar aanspoorde haar te steken, waarna [de minderjarige] het mes afpakte, en zij schetst vriendin [voorletter 1] als iemand die plots agressief kan worden en ook fysiek geweld tegen [voorletter 2] gebruikt wanneer [voorletter 2] bijvoorbeeld verwijst naar de vader van [voorletter 2] 3.16. In haar voorstelling speelt zich rond 2024 een complex relatieverloop af tussen vriendin [voorletter 1] en de vader van [voorletter 2] en anderen, waarbij de vader van [voorletter 2] volgens haar rond augustus 2024 definitief bij vriendin [voorletter 1] is vertrokken en vriendin [voorletter 1] daarna met [voorletter 2] bij haar kwam, wat gepaard ging met geweld tegen [voorletter 2] 3.17. Ten aanzien van [de minderjarige] benadrukt de moeder dat zij hem niet heeft mishandeld en dat zijn ontlastingsproblemen al langer bestaan en samenhangen met angst sinds het overlijden van zijn opa in februari 2024. De moeder herkent het geschetste beeld van een seksuele preoccupatie en online zoekgedrag van [de minderjarige] niet, mede omdat hij thuis geen vrije toegang tot zijn telefoon had. 3.18. De moeder stelt dat zij momenteel geen contact met haar partner heeft, licht toe dat zij samen hebben afgezien van het formaliseren van zijn gezag om praktische redenen, dat zij begrijpt dat zij vanuit detentie geen gezag kan uitoefenen, maar vindt dat de vader dat wel zou kunnen. De moeder geeft tot slot aan opgelucht te zijn dat zij nu meer heeft kunnen vertellen dan bij de vorige mondelinge behandeling. Wat vindt de vader van het verzoek? 3.19. De vader oefent geen gezag uit over [de minderjarige] . De verzochte maatregel die nu wordt genomen betreft uitsluitend de beĂ«indiging van het gezag van de moeder en grijpt rechtstreeks en uitsluitend in in de rechtsbetrekking tussen de moeder en [de minderjarige] . De rechtspositie van de vader wordt hierdoor niet rechtstreeks geraakt. Zijn eventueel nog te realiseren wens om zelf met het gezag over [de minderjarige] te worden belast, kan hij desgewenst in een afzonderlijke procedure aan de orde stellen. 3.20. De kinderrechter acht de vader daarom in deze gezagsbeĂ«indigingsprocedure niet aan te merken als belanghebbende in de zin van artikel 798, lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. De kinderrechter heeft wel kennisgenomen van het standpunt van de vader zoals dat kenbaar is uit het onderzoeksrapport van de Raad en de daarop door hemzelf gegeven reactie, die in het onderzoeksrapport integraal is opgenomen. Die reactie vertaalt zich echter niet in een relevant argument dat in de beoordeling kan worden betrokken, behoudens voor zover de vader opmerkt dat hij doordeweeks in Duitsland werkt en daardoor in de huidige situatie beperkt beschikbaar is voor de dagelijkse verzorging en dat hij daarom ook een optie ziet waarin zijn ouders als pleegouders fungeren, met [de minderjarige] in de weekenden bij hem. Wat beslist de kinderrechter? 3.21. De kinderrechter stelt op grond van de hiervoor onder de kop “De feiten” weergegeven feiten en omstandigheden vast dat bij [de minderjarige] sprake is van een zeer ernstige en langdurige ontwikkelingsbedreiging. [de minderjarige] is gedurende langere tijd blootgesteld aan extreem geweld, ernstige mishandeling en verwaarlozing van [voorletter 2] , die zich grotendeels in de woning van de moeder hebben afgespeeld. [De minderjarige] is daarvan herhaaldelijk oor‑ en ooggetuige geweest en daardoor slachtoffer geworden van zeer ernstige emotionele kindermishandeling in een chronisch onveilige en traumatiserende opvoedomgeving. 3.22. De kinderrechter acht het bijzonder zorgwekkend dat de moeder, ondanks haar positie als primaire opvoeder en beschermer van [de minderjarige] , deze situatie van dermate ernstige onveiligheid gedurende langere tijd heeft laten ontstaan en/of voortbestaan zonder de mishandelingen te stoppen of tijdig adequate hulp in te schakelen, terwijl zij een fundamentele verantwoordelijkheid had voor een veilige opvoedomgeving van [de minderjarige] . 3.23. Daarbij betrekt de kinderrechter dat de moeder thans gedetineerd is wegens verdenking van het medeplegen van zeer ernstige, stelselmatige kindermishandeling en verwaarlozing en dat het strafrechtelijk onderzoek naar verwachting nog geruime tijd zal voortduren. 3.24. Daarbij betrekt de kinderrechter ook dat er geen zicht is op het ontstaan van (voldoende) probleembesef en - inzicht, en daarom op verandering en beschermend handelen bij de moeder binnen een voor [de minderjarige] en zijn ontwikkeling aanvaardbare termijn. 3.25. Gelet op de ernst en duur van de ontwikkelingsbedreiging, het ontbreken van perspectief op herstel van voldoende opvoedingscapaciteit bij de moeder binnen een voor [de minderjarige] aanvaardbare termijn, en de noodzaak om [de minderjarige] onmiddellijk duidelijkheid en stabiliteit te bieden ten aanzien van zijn woon‑ en opvoedperspectief, is de kinderrechter van oordeel dat beĂ«indiging van het gezag van de moeder over [de minderjarige] in zijn belang noodzakelijk is, zoals bedoeld is in artikel 1:266 van het Burgerlijk Wetboek. 3.26. De kinderrechter oordeelt verder dat het gezag over [de minderjarige] (vooralsnog) moet worden belegd bij een neutrale derde, te weten de GI. 3.27. De kinderrechter ziet geen aanleiding om in het kader van deze procedure te (laten) onderzoeken of de vader gezag over [de minderjarige] kan uitoefenen. Met de Raad heeft de kinderrechter zorgen over de mate waarin de vader in staat is de volledige impact van de situatie op [de minderjarige] onder ogen te zien, eerdere signalen te herkennen en een adequate veiligheidsinschatting te maken, mede gezien zijn (aanvankelijke) nadruk op de belangen van de moeder. 3.28. De kinderrechter vindt dat de noodzaak tot beĂ«indiging van het gezag en benoeming van de GI als voogd mede wordt bepaald door de ontkennende/bagatelliserende houding van de ouders, die volstrekt ontoereikend is om de ontwikkelingsbedreiging van [de minderjarige] weg te nemen. Uitgaande van de onderzoeksbevindingen van de Raad en wat tijdens de mondelinge behandeling daarover is gebleken, dringt zich het beeld op dat beide ouders denken en redeneren vanuit hun eigen of elkaars belangen, verlangens en wensen, en (nog) niet tot het inzicht en besef zijn gekomen dat onder hun verantwoordelijkheid [de minderjarige] gedurende langere tijd is blootgesteld aan extreem geweld en een chronisch onveilige opvoedomgeving, met grote impact op zijn fysieke, emotionele, psychische en cognitieve ontwikkeling. 3.29. Gelet op de aard en ernst van de ontwikkelingsbedreiging van [de minderjarige] , de veelheid aan lopende en te verwachten strafrechtelijke en civiele trajecten rondom de moeder, de noodzaak van gespecialiseerde hulpverlening en de ingewikkelde vragen over zijn woon‑ en contactperspectief met de ouders, acht de kinderrechter het aangewezen dat de voogdij niet wordt belegd bij een persoon uit het netwerk, maar bij een professionele instantie. De GI beschikt over de noodzakelijke deskundigheid en onafhankelijkheid om als neutrale derde de regie te voeren over de zorg, behandeling, schoolgang en contactregeling. De GI is ook in staat de veiligheid van [de minderjarige] structureel te bewaken en in de verschillende procedures consistent zijn belangen te behartigen. Daarom zal de kinderrechter de GI tot voogd over [de minderjarige] benoemen. 3.30. De beĂ«indiging van het gezag en de benoeming van de GI tot voogd over [de minderjarige] brengen met zich dat geen belang meer bestaat bij een behandeling van en beslissing op de overige verzoeken die ten aanzien van [de minderjarige] zijn gedaan. Waarom wordt deze beschikking gepubliceerd? 3.31. Deze zaak valt onder meerdere categorieĂ«n die volgens het door de Rechtspraak gehanteerde “Besluit selectiecriteria uitsprakendatabank Rechtspraak.nl 2024” aanleiding geven tot publicatie. 3.32. Het gaat om een zaak waarin (een vorm van) kindermishandeling en andere ernstige feiten aan de orde zijn. Volgens de selectiecriteria komen uitspraken over ernstige strafbare feiten en zaken met groot maatschappelijk belang in aanmerking voor publicatie. Daarnaast is sprake van aanzienlijke mediabelangstelling. In het besluit en in het daarop gebaseerde beleid is opgenomen dat mediabelangstelling een zelfstandige grond vormt om een uitspraak te publiceren. In de praktijk worden uitspraken in zaken met duidelijke mediabelangstelling vaak op of kort na de dag van de uitspraak gepubliceerd. Dit verklaart waarom de eerder gegeven beschikking op de dag van de uitspraak is gepubliceerd en ook deze beschikking op de dag van de uitspraak zal worden gepubliceerd. Ten derde betreft het een maatschappelijk relevante kwestie, hetgeen eveneens als expliciet criterium in het besluit wordt genoemd. 3.33. Het besluit bevat geen bepaling die expliciet voorziet in het achterwege laten van publicatie op grond van wensen of belangen van procesdeelnemers, het Openbaar Ministerie of andere “ketenpartners”. De in het besluit genoemde criteria zijn gericht op de inhoud en betekenis van de uitspraak en niet op (institutionele) belangen van bij de zaak betrokken partijen of instanties. 3.34. De criteria die tot publicatie van uitspraken leiden, zijn in overwegende mate objectief geformuleerd en hebben betrekking op factoren als juridische relevantie, maatschappelijk belang en (eventuele) mediabelangstelling. Dit sluit aan bij de openbaarheidsfunctie van de rechtspraak: het publiekelijk toegankelijk maken van uitspraken die richtinggevend zijn, de rechtsontwikkeling verduidelijken of anderszins van belang zijn voor de samenleving. 3.35. De openbaarheid van rechtspraak is een fundamenteel beginsel van de rechtsstaat, dat zijn basis vindt in onder meer artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en in nationale rechtspraak en regelgeving. Op de website van de Rechtspraak wordt vermeld dat de selectiecriteria voor publicatie zijn gebaseerd op Aanbeveling R (95) 11 van de Raad van Europa over “de selectie, verwerking, presentatie en archivering van rechterlijke uitspraken in zoeksystemen voor juridische informatie”. Deze aanbeveling benadrukt dat selectie en publicatie primair moeten worden gestuurd door juridische en maatschappelijke relevantie, niet door de belangen van uitvoerende instanties of andere actoren buiten de rechterlijke macht. 3.36. De kinderrechter neemt gelet op alles wat is overwogen de volgende beslissing. 4 De beslissing De kinderrechter: 4.1. beĂ«indigt het gezag van de moeder over [de minderjarige] ; 4.2. benoemt de GI tot voogd over [de minderjarige] ; 4.3. gelast de administratie van deze rechtbank om die beslissingen over het gezag in te schrijven in het gezagsregister; 4.4. verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad; 4.5. wijst af wat meer of anders is verzocht. Deze beschikking is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2026 door mr. B.R. Tromp, (kinder)rechter, bijgestaan door mr. R.C. Bernard, griffier. Als u het niet eens met de beslissingen die de rechter heeft genomen, kunt u in hoger beroep. Maar let op! Hoger beroep kunt u niet zelf instellen. U moet daarvoor naar een advocaat. Een advocaat kan voor u hoger beroep instellen bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Belangrijk is dat u snel naar een advocaat gaat. Hoger beroep moet bijna altijd binnen drie maanden na de dag van de uitspraak worden ingesteld. “AOL” staat voor Afspraak Op Locatie: een veiligheidsstatus waarbij op een specifiek adres extra maatregelen gelden en de politie bij een melding direct en zonder extra verificatie kan worden ingeschakeld.

Related across sources

Similar Content