Skip to content
Case Law
NL

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 25-06-2026 (200.364.502)

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Summary

Verzoek onderbewindstelling, art. 1:431 lid 1 BW

Case Summary

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem/Leeuwarden, afdeling civiel zaaknummer gerechtshof 200.364.502 zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 11808455 beschikking van 25 juni 2026 in de zaak van [verzoekster] ( [verzoekster] ) die woont in [woonplaats1] advocaat: mr. S.G. Dorrestein en [verweerster] ( [verweerster] ) gevestigd in [woonplaats1] advocaat: mr. L.A.P. Arends als overige belanghebbenden zijn aangemerkt: [de bewindvoerder] ( [de bewindvoerder] ) gevestigd in [vestigingsplaats1] , en de zonen van [verzoekster] : [belanghebbende1] die woont in [woonplaats2] en [belanghebbende2] die woont in [woonplaats3] en [belanghebbende3] die woont in [woonplaats1] 1 Samenvatting De kantonrechter heeft de goederen die [verzoekster] (zullen) toebehoren onder bewind gesteld en [de bewindvoerder] benoemd tot bewindvoerder. Het hof beslist dat dit zo moet blijven en legt hierna uit waarom. 2. De feiten [verzoekster] is geboren [in] 1956. Zij heeft drie kinderen: [belanghebbende1] , [belanghebbende2] en [belanghebbende3] . 3 De procedure bij de rechtbank 3.1. [verweerster] heeft de kantonrechter verzocht om een bewind in te stellen voor [verzoekster] en [de bewindvoerder] als bewindvoerder te benoemen. 3.2. De kantonrechter heeft dit verzoek toegewezen. 3.3 Die beslissing is vastgelegd in een beschikking van 3 november 2025. 4 De procedure bij het hof 4.1. [verzoekster] is het niet eens met de beslissing van de kantonrechter en zij komt daarom in hoger beroep. [verzoekster] verzoekt het hof de beslissing van de kantonrechter te vernietigen en het verzoek tot onderbewindstelling alsnog af te wijzen. 4.2. [verweerster] wil dat het hof de beslissing van de kantonrechter in stand laat. 4.3. Het hof heeft de volgende stukken ontvangen: het beroepschrift ontvangen op 2 februari 2026 het verweerschrift van [verweerster] de stukken van [verzoekster] ingediend op 18 mei 2026 de spreekaantekeningen van mr. Dorrestein de spreekaantekeningen van mr. Arends 4.4. De zitting bij het hof was op 28 mei 2026. Aanwezig waren: [verzoekster] en haar advocaat een vertegenwoordiger namens [verweerster] , haar advocaat en mr. D. Meijers een vertegenwoordiger namens [de bewindvoerder] zoon [belanghebbende2] De neef van [verzoekster] en zijn echtgenote is bijzondere toegang verleend als toehoorder. 5 Het oordeel van het hof Wat staat in de wet? 5.1. In artikel 1:431 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) staat dat de rechter de goederen van een persoon onder bewind kan stellen. Dat kan om twee redenen. Een reden kan zijn dat iemand als gevolg van zijn lichamelijke of geestelijke toestand tijdelijk of duurzaam niet in staat is ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen. De andere reden is als sprake is van verkwisting of het hebben van problematische schulden. Hoe oordeelt het hof? 5.2. In deze zaak gaat het over het onder bewind stellen van de goederen van [verzoekster] . Het hof is van oordeel dat de kantonrechter een goede beslissing heeft gegeven omdat [verzoekster] vanwege haar lichamelijke of geestelijke toestand duurzaam niet in staat is haar vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen. Het hof legt hierna uit waarom. 5.3. [verzoekster] stelt dat zij in eerste aanleg is overvallen door de hulpverlening en onvoldoende was voorbereid op de online gehouden zitting bij de kantonrechter. [verzoekster] is in hoger beroep bijgestaan door haar advocaat en heeft haar standpunt uitgebreid verwoord, daarom is dit punt in hoger beroep niet meer van belang. 5.4. Vaststaat dat [verzoekster] niet of nauwelijks kan lezen en schrijven. Zij heeft desgevraagd toegelicht dat zij daarom in het verleden regelmatig ondersteuning heeft gehad van vrienden en familie bij het afhandelen van haar financiële zaken. Het hof vindt het bewonderenswaardig dat [verzoekster] , ondanks haar beperkingen op het gebied van lezen en schrijven, tot op heden niet in financiële problemen is gekomen: er zijn geen schulden. [verweerster] heeft naar het oordeel van het hof voldoende nader onderbouwd dat de laatste jaren veel ondersteuning op administratief en financieel gebied door de ambulante begeleidster aan [verzoekster] is geboden. De ambulant begeleidster handelde wekelijks met [verzoekster] de post en bankzaken af. Ook ging zij met [verzoekster] pinnen. Daarbij adviseerde zij [verzoekster] vaak om niet meer dan een standaardbedrag op te nemen. [verzoekster] wilde graag meer uitgeven dan er binnen kwam. Deze ondersteuning bij de financiële zaken hoort officieel niet tot het takenpakket van [verweerster] en de begeleidster wil hiervoor ook geen verantwoordelijkheid (meer) dragen. Inmiddels hanteert [verweerster] strengere voorschriften en richtlijnen om te bezuinigen bij de verlening van de zorg, met name ook in tijd. Dit tezamen maakt dat de ambulante begeleidster de ondersteuning bij de afwikkeling van de administratie en bankzaken niet meer kan voortzetten. De ambulant begeleidster is niet bekend welke hulp de echtgenote van de neef verder heeft geboden. Op verzoek van [verzoekster] eindigt de ondersteuning door de ambulante begeleidster van [verweerster] overigens per 1 juni 2026. Het hof is van oordeel dat [verzoekster] de bevindingen van de ambulant begeleidster onvoldoende heeft weerlegd en voldoende vast staat dat [verzoekster] haar financiële belangen niet zelf kan behartigen. Duidelijk is dat [verzoekster] afhankelijk is van de hulp van welwillende familie en vrienden voor het afwikkelen van haar zaken op financieel gebied als er geen bewind wordt ingesteld en dat zij dan zeer kwetsbaar is. [verzoekster] woont bij haar broer in het vroegere huis van haar moeder. [verzoekster] weet niet of de broer bij wie zij woont een gezonde financiële situatie heeft. In eerste aanleg heeft [verzoekster] melding gemaakt van schulden van haar broer. Zoon [belanghebbende2] en de echtgenote van de neef van [verzoekster] zijn weliswaar bereid om [verzoekster] te ondersteunen, maar in een dergelijke situatie kan door derden toch nog gemakkelijk misbruik van [verzoekster] worden gemaakt op financieel gebied. [verzoekster] heeft ook niet verzocht om [belanghebbende2] of de echtgenoot van de neef tot bewindvoerder te benoemen. Daar komt nog bij dat [belanghebbende2] meer dan vijftien jaar geen contact heeft gehad met zijn moeder en het contact nog maar kort geleden (als gevolg van de oproep van het hof in het kader van dit hoger beroep) is hersteld. Dat [verzoekster] stelt dat veel vaste lasten automatisch worden afgeschreven en zij haar uitgaven vaak contant doet, maakt het oordeel van het hof niet anders. Het hof gaat voorbij aan de stelling van [verzoekster] dat [verweerster] geen oude medische gegevens mocht delen in deze procedure. Het is op grond de Algemene Verordening Gegevensbescherming toegestaan dat [verweerster] in de deze procedure medische gegevens inbrengt zonder toestemming van [verzoekster] . Bovendien zijn deze gegevens voor het hof niet van belang in het kader van de beslissing. Uit de toelichting van [verweerster] blijkt voor het hof al voldoende dat [verzoekster] niet in staat is om haar vermogensrechtelijke belangen zelf te behartigen. De bewindvoerder heeft verklaard dat het bewind voor haar goed uitvoerbaar is, ondanks dat [verzoekster] op dit moment (nog) geen contact met haar wil. Voor de boedelbeschrijving heeft de bewindvoerder contact met de ambulant begeleidster gehad en verder heeft zij contact met [belanghebbende2] . Dat verloopt goed. De financiële middelen van [verzoekster] zijn maar net voldoende om rond te kunnen komen. De bewindvoerder heeft een beroep gedaan op een aantal regelingen voor de minima en het budget voor [verzoekster] wordt hierdoor iets verruimd. Er was geen financiële buffer aanwezig en die wordt in kleine stapjes opgebouwd. Verder is gebleken dat [verzoekster] voor de kosten van het bewind recht heeft op bijzondere bijstand. Dit alles tezamen maakt dat het hof de beslissing van de kantonrechter in stand laat (bekrachtigt). Proceskosten 5.5 Het hof is vanwege de aard van de zaak van oordeel dat iedere partij de eigen proceskosten moet dragen (compensatie van proceskosten). 6 De beslissing Het hof: 6.1. bekrachtigt de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, van 3 november 2025; 6.2. compenseert de proceskosten; 6.3. wijst af wat verder is verzocht. Deze beschikking is gegeven door mrs. P.B. Kamminga, D.J.M. van de Voort en A.T. Bol, bijgestaan door de griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2026.

Related across sources

Similar Content