Rechtbank Noord-Holland, 03-07-2026 (C/15/376223/ HA RK 26-68)
Rechtbank Noord-Holland
Tussenbeschikking. Verzoek tot voeging op grond van artikel 285 lid 2 Rv vanwege de onderliggende samenhang tussen beide zaken toegewezen. Verzoek tot overlegging van stukken op grond van art 195 Rv afgewezen.
Case Summary
RECHTBANK Noord-Holland Civiel recht Zittingsplaats Alkmaar Zaaknummer / rekestnummer: C/15/376223 / HA RK 26-68 Beschikking van 3 juli 2026 in de zaak van [verzoeker] , te [woonplaats] , verzoekende partij, hierna te noemen: [verzoeker] , gemachtigde: E. Donkersloot, tegen INTERNATIONAL CARD SERVICES B.V. , te Diemen, verwerende partij, hierna te noemen: ICS, advocaat: mr. C.M. Jakimowicz. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het verwijzingsvonnis van de kantonrechter van 25 maart 2026, - de e-mail van [verzoeker] van 3 april 2026 met reactie op het verzoek van ICS deze zaak te voegen, - de reactie op incident van ICS van 21 april 2026 op het verzoek van [verzoeker] om inzage op grond van artikel 195 Rv, - de akte overlegging producties van [verzoeker] van 21 april 2026. 1.2. De beschikking is bepaald op vandaag. 2 De beoordeling In de incidenten 2.1. In het verwijzingsvonnis van 25 maart 2026 heeft de kantonrechter de zaak, in de stand waarin deze zich bevond, verwezen naar de verzoekschriftprocedure van een kamer voor andere zaken dan kantonzaken van deze rechtbank. Deze verwijzing treft ook het incidentele verzoek tot voeging van ICS en het incidentele verzoek op grond van artikel 195 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) van [verzoeker] . Verzoek tot voeging 2.2. ICS verzoekt, in haar conclusie van antwoord, dat deze zaak gevoegd zal worden behandeld met de zaak die bij de rechtbank bekend is onder het nummer C/15/376222/ HA RK 26/67. Ter onderbouwing van dat verzoek voert ICS aan dat de feiten en de achtergrond van de zaken gelijk zijn en dat de zaken verknocht zijn. ICS verzoekt daarom op grond van artikel 285 RV de zaken gevoegd te behandelen. 2.3. [verzoeker] voert verweer tegen het verzoek. Hij betwist dat er sprake is van connexiteit zoals bedoeld in artikel 222 Rv. De procedures zien volgens [verzoeker] op wezenlijk verschillende rechtsvragen namelijk enerzijds naleving van artikel 12 en 15 Algemene Verordening Gegevensbescherming (hierna: AVG) en anderzijds de rechtmatigheid van een CAAML-registratie. Dat beide zaken raken aan hetzelfde dossier is volgens [verzoeker] onvoldoende. 2.4. De rechtbank oordeelt als volgt. Op grond van artikel 285 lid 2 Rv kan een rechter, indien bij deze rechter meer verzoekschriften over een verknocht onderwerp zijn ingediend, voeging daarvan bevelen. Van verkochtheid, ook wel connexiteit, kan worden gesproken, indien tussen de onderwerpen van de verschillende verzoeken een zodanig samenhang bestaat dat die - om redenen van doelmatigheid - een gezamenlijke behandeling door één en dezelfde rechter rechtvaardigt. De rechtbank is van oordeel dat tussen deze zaak en de zaak bij de rechtbank bekend onder het nummer C/15/376222/ HA RK 26/67 van een zodanige samenhang sprake is dat deze zaken inderdaad gezamenlijk door één en dezelfde rechter behandeld moeten worden. De rechtbank heeft bij dit oordeel acht geslagen op het feit dat beide zaken aanhangig zijn tussen dezelfde partijen, met [verzoeker] aan de ene kant als verzoeker en ICS aan de andere kant als verweerder. Ook acht de rechtbank van belang dat beide zaken in tijd gelijk lopen. Uit de inleidende dagvaardingen in beide zaken blijkt dat [verzoeker] van mening is dat beide procedures zien op de onrechtmatige verwerking van persoonsgegevens door ICS. In deze zaak verzoekt [verzoeker] (onder meer) voor recht te verklaren dat ICS in strijd heeft gehandeld met de AVG, waaronder, maar niet beperkt tot, de artikelen 5, 6, 10, 12, 14, 16, 22 en 35 AVG. In de zaak bij de rechtbank bekend onder nummer C/15/376222/ HA RK 26/67 verzoekt [verzoeker] (onder meer) ook voor recht te verklaren dat ICS in strijd heeft gehandeld met de artikelen 5, 6, 10, 12, 14, 15 en 16 van de AVG. Op grond van deze omstandigheden zal het verzoek van ICS om de zaken gevoegd te behandelen worden toegewezen. Verzoek op grond van artikel 195 Rv 2.5. [verzoeker] verzoekt dat ICS stukken overlegt van een gesprek dat [verzoeker] met ICS heeft gehad. Hij verzoekt daarnaast ICS inzichtelijk te maken: op welke datum of data het gestelde gesprek met [verzoeker] heeft plaatsgevonden; welke registraties van dit gesprek bestaan, waaronder call-logs, CRM-registraties, gespreknotities of opnames; welke persoonsgegevens van [verzoeker] daarbij zijn verwerkt; en waarom deze gegevens niet zijn verstrekt in het kader van het inzageverzoek ex artikel 15 AVG. 2.6. ICS voert verweer en stelt dat [verzoeker] al beschikt over de stukken waarvan hij inzage wenst. ICS wijst in dat verband op de door haar overgelegde producties bij de conclusie van antwoord en die bij de reactie op het incident. Omdat het incident ongegrond is verzoekt ICS [verzoeker] te veroordelen in de kosten van het incident. 2.7. Artikel 195 lid 1 Rv bepaalt dat de rechter op verzoek van een partij de wederpartij kan bevelen tot het verstrekken van inzage, afschrift of uittreksel van bepaalde gegevens waarover de wederpartij beschikt. [verzoeker] verzoekt inzage in een gesprek waaruit bleek dat een chargebackdossier betrekking had op een ING-creditcard. ICS heeft als productie 3 bij de reactie op het incident een gesprekverslag overgelegd van een gesprek dat [verzoeker] op 8 mei 2024 met ICS heeft gevoerd. Uit dat verslag blijkt dat [verzoeker] informatie wilde hebben over een kaart van ING in plaats van een creditcard van ICS. Uit het verslag blijkt ook dat [verzoeker] beaamt dat hij verkeerd zit en dat hij het ergens anders gaat proberen. Met overlegging van dit verslag heeft ICS voldaan aan het verzoek van [verzoeker] op grond van artikel 195 Rv. De rechtbank zal dit verzoek van [verzoeker] bij gebrek aan belang dan ook afwijzen. 2.8. De rechtbank wijst partijen er – volledigheidshalve – op dat het in beginsel aan een partij als ICS is om – voor zover nodig – de stukken waarop zij zich wil beroepen uit eigen beweging te overleggen. Een partij die een bepaald standpunt inneemt maar achterwege laat dat standpunt met stukken te onderbouwen, draagt de nadelige gevolgen indien de rechter dat standpunt vervolgens niet aan de hand van stukken kan verifiëren. 2.9. ICS verzoekt [verzoeker] te veroordelen in de proceskosten omdat het incident ongegrond is. Hoewel ICS in haar reactie op het incident verwijst naar producties die zij bij de conclusie van antwoord heeft overgelegd, kan de rechtbank in deze producties niet de uitwerking van het gespreksverslag vinden zoals overgelegd als productie 3 bij de reactie op het incident. Gelet op deze omstandigheid en het feit dat in deze beschikking ook een beoordeling wordt gegeven op het voegingsincident ziet de rechtbank aanleiding om de beslissing over de proceskosten aan te houden in afwachting van de uitkomsten van de hoofdzaak. In de hoofdzaak 2.10. De zaak is gereed voor het bepalen van een mondelinge behandeling. De rechtbank verzoekt partijen hun verhinderdagen op te geven over de periode van augustus 2026 tot en met januari 2027 zodat een mondelinge behandeling kan worden gepland in deze zaak en de zaak bij de rechtbank bekend onder het nummer C/15/376222/ HA RK 26-67. 3 De beslissing De rechtbank in de incidenten 3.1. voegt deze zaak met de bij deze rechtbank aanhangige zaak bekend onder het nummer C/15/376222/ HA RK 26-67, 3.2. wijst af het verzoek van [verzoeker] om inzage ex artikel 195 Rv, in de hoofdzaak 3.3. bepaalt dat een mondelinge behandeling zal plaatsvinden, 3.4. bepaalt dat partijen hun verhinderdagen opgeven over de periode van augustus 2026 tot en met januari 2027, 3.5. houdt iedere verdere beslissing aan. Deze beschikking is gegeven door mr. P.J. Jansen en in het openbaar uitgesproken op 3 juli 2026. Deze zaak was ook ingediend bij de kantonrechter, daar was het nummer van deze zaak 11851010 CV EXPL 25-3001. Zie Hoge Raad 27 oktober 1978, ECLI:NL:HR:1978:AC6384.