Skip to content
Case Law
NL

Rechtbank Den Haag, 30-06-2026 (NL26.3028)

Rechtbank Den Haag

Rechtbank Den Haag
Summary

Asiel Somalië, problemen niet geloofwaardig, vestigingsalternatief Mogadishu, beroep ongegrond.

Case Summary

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: NL26.3028 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 juni 2026 in de zaak tussen [eiser] , v-nummer: [nummer] , eiser (gemachtigde: mr. S.A.S. Jansen), en de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. G.W. Wezelman). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. De minister heeft de gestelde problemen met Al-Shabaab terecht ongeloofwaardig geacht. Ook mocht de minister Mogadishu voor eiser aanmerken als vestigingsalternatief. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. 1.2. De rechtbank zet hierna eerst het procesverloop, het asielrelaas en het bestreden besluit uiteen (2-4). De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 6.1. Daarbij gaat de rechtbank in op de vraag of eiser zijn asielmotief heeft onderbouwd met objectieve documenten. In overweging 7.1. en verder gaat de rechtbank in op de vraag of de minister de problemen met Al-Shabaab terecht ongeloofwaardig heeft geacht omdat eisers verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Daarbij gaat de rechtbank ook in op het vermoeden van mogelijk gebruik van kunstmatige intelligentie bij het opstellen van de beroepsgronden. In overweging 9 bespreekt zij of de minister aan eiser een vestigingsalternatief voor Mogadishu op mocht leggen. Aan het eind onder 10 staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan. Procesverloop 2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 12 januari 2026 deze aanvraag afgewezen als ongegrond. 2.1. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 2.2. De rechtbank heeft het beroep op 27 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. Beoordeling door de rechtbank Het asielrelaas 3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag ten grondslag dat hij de Somalische nationaliteit heeft en dat hij behoort tot de Hawiye bevolkingsgroep. Hij woonde in het dorp [naam dorp] toen de Macawisley de controle van het dorp overnamen. Er werd gevraagd wie tot Al Shabaab behoorde en eiser heeft toen verklaard over een dorpsgenoot. Die is vervolgens vermoord. Hij kreeg daardoor problemen met Al-Shabaab. Hij is door Al-Shabaab beschuldigd als spion en zij hebben eiser bedreigd met de dood. Eiser is daarom samen met zijn moeder gevlucht naar zijn oom in [plaats] . Daar is hij telefonisch bedreigd en is een aanslag gepleegd op het huis van zijn oom. Zijn oom is daarbij overleden en de moeder van eiser is gewond geraakt. Zij kon niet worden behandeld in [plaats] , daarom zijn eiser en zijn moeder naar Modagishu vertrokken. Ook hier werd hij weer telefonisch bedreigd en Al Shabaab heeft naar eiser gezocht in het huis van de tante van zijn vader. Daaropvolgend heeft eiser besloten om Somalië te verlaten. Verder heeft eiser verklaard dat hij in [plaats] is gearresteerd door de autoriteiten op verdenking van Al-Shabaab lidmaatschap. Hij is toen 20 dagen vastgehouden en vervolgens vrijgesproken. Bij terugkeer naar Somalië vreest eiser om vermoord te worden door Al-Shabaab. Ook vreest hij dat de overheid hem aanmerkt als Al-Shabaab-lid en dat de Macawisley eiser dwingt om mee te vechten tegen Al-Shabaab. 3.1. Eiser heeft geen documenten overgelegd ter onderbouwing van zijn asielrelaas. Het bestreden besluit 4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven: - identiteit, nationaliteit en herkomst; - problemen met Al-Shabaab; - problemen met de autoriteiten in [plaats] . De minister stelt zich op het standpunt dat hoewel eiser geen identificerende documenten heeft overgelegd, zijn persoonsgegevens in deze procedure worden aangehouden. Eisers identiteit, nationaliteit en herkomst worden door de minister geloofwaardig geacht. Dat eiser problemen heeft gehad met Al-Shabaab acht de minister ongeloofwaardig. Volgens de minister vormen eisers verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel. Hij voldoet daarom niet aan de voorwaarde van artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vw 2000, zoals dat luidde tot 12 juni 2026. Het asielmotief dat eiser problemen heeft gehad met de autoriteiten in [plaats] wordt door de minister niet beoordeeld. De minister laat de geloofwaardigheid van het asielmotief in het midden, omdat eiser zijn vrees volgens de minister al niet aannemelijk heeft gemaakt. Eiser, afkomstig uit [naam dorp] , stelt dat uit openbare informatie volgt dat deze plaats mogelijk niet bereikbaar is zonder door gebieden te reizen die onder controle staan van Al Shabaab. Voor eiser is daarom een vestigingsalternatief aangenomen, hij kan volgens de minister terugkeren naar Mogadishu. Wat is het juridisch kader? 5. Uit het bestreden besluit blijkt dat de minister de vanaf 1 juli 2024 geldende WI 2024/6 heeft toegepast. In dit beleid zijn veranderingen doorgevoerd in de wijze waarop de minister de geloofwaardigheid van de asielmotieven beoordeelt. Hiermee is ook WI 2014/10 ingetrokken. Dit nieuwe beleid is een uitwerking van artikel 31 van de Vw 2000, dat de implementatie is van artikel 4 van de Kwalificatierichtlijn , en een nadere invulling van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000). Heeft de minister de problemen met Al-Shabaab ten onrechte ongeloofwaardig geacht? Stap 2a – onderbouwing met documenten 6. Eiser betoogt dat de minister zijn asielmotief dat hij problemen heeft ondervonden met Al-Shabaab, ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. Zijn asielaanvraag is ten onrechte afgewezen. 6.1. Niet is in geschil dat eiser zijn problemen met Al-Shabaab niet heeft onderbouwd met (objectieve) documenten die dit asielmotief volledig onderbouwen. Daarom heeft de minister beoordeeld of het asielmotief alsnog geloofwaardig is. Dat is volgens de minister niet het geval, omdat eiser niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000. De minister acht eisers verklaringen niet samenhangend en aannemelijk. Verklaringen zijn niet samenhangend en aannemelijk en in strijd met beschikbare algemene en specifieke informatie die relevant is voor zijn verzoek (voorwaarde c) 7. Eiser betoogt dat de minister niet in staat is geweest zijn zienswijze omtrent de problemen met Al Shabbaab te weerleggen. Op de zitting heeft eiser – op de vraag om zijn betoog nader te concretiseren – toegelicht dat de minister gelet op alle bekende informatie niet zomaar kan zeggen dat eisers verklaringen ongeloofwaardig zijn. Uit de (landen)informatie in de beroepsgronden volgt dat Al-Shabaab door het gebied beweegt. De minister stelt zich dan ook ten onrechte op het standpunt dat het vreemd is eiser na de eerste bedreiging nog twee dagen in [naam dorp] heeft verbleven en dat Al-Shabaab hem al die tijd niet heeft opgespoord. Op de zitting heeft eiser verder nog betoogd dat de minister alle gestelde ongerijmdheden niet heeft bezien in het licht van de territoriale controle en het gedrag van Al-Shabaab, daaronder begrepen het systematisch opsporen van een doelwit en de daarbij gehanteerde conflictdynamiek. Tegen die achtergrond zijn eisers verklaringen niet ongerijmd en is het evenmin raar dat eiser nog nadacht over zijn vertrek uit een onveilig gebied. De minister hanteert ten onrechte een normatief vertrek-criterium bij het vertrek uit [naam dorp] terwijl je daar geen norm voor kunt stellen. In zijn algemeenheid formuleert eiser ter zitting de beroepsgrond dat zijn verklaringen niet zijn bezien tegen de achtergrond van de situatie in Somalië. Oordeel van de rechtbank 7.1. Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister zich terecht op het standpunt dat eiser de problemen met Al-Shabaab niet aannemelijk heeft gemaakt. De minister mocht dit asielmotief daarom ongeloofwaardig achten. De rechtbank legt dit hieronder verder uit. Daarbij acht de rechtbank allereerst van belang dat eiser zijn betoog dat de minister zijn verklaringen ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht, niet nader gespecificeerd heeft onderbouwd en gemotiveerd. Met het enkel herhalen en inlassen van de zienswijze heeft eiser niet toegelicht waarom de motivering in het bestreden besluit ondeugdelijk of onjuist zou zijn, noch waarom hij zich niet met die motivering kan verenigen. Ook haalt eiser in zijn beroepsgronden veel documenten en stukken aan ter onderbouwing van zijn betoog dat de minister de problemen met Al-Shabaab ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. Eiser heeft echter nagelaten om te specificeren en te onderbouwen in welk verband de stukken worden aangehaald, terwijl ook een vindplaats niet altijd wordt genoemd. Er wordt verder niet gewezen op van belang zijnde passages, niet verwezen naar paginanummers, terwijl de directe betekenis van de stukken in het licht van de geloofwaardigheidsbeoordeling niet altijd duidelijk is. Verwijzingen naar jurisprudentie zijn bovendien niet altijd relevant, bijvoorbeeld de verwijzing in punt 26 van het beroepschrift die ziet op een uitspraak over een iMMO-rapport. Dit doet vermoeden dat gemachtigde bij het opstellen van het beroepschrift gebruik heeft gemaakt van kunstmatige intelligentie, zonder te controleren of de uitkomsten juist zijn en voor de zaak zelf relevantie hebben. Eisers gemachtigde is hierover op zitting bevraagd, waarbij hem is voorgehouden dat een werkwijze, waarbij een groot aantal verwijzingen wordt gegeven naar documenten zonder daarbij nadere duiding te geven, niet kan worden aanvaard. Om die reden zal de rechtbank niet afzonderlijk ingaan op alle door eiser overgelegde informatie. 7.2. Verder heeft de minister zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat eisers verhaal over de bedreigingen door Al-Shabaab een aantal ongerijmdheden kent en daarom terecht ongeloofwaardig is geacht. Om te beginnen heeft eiser verklaard dat hij enkele uren na het overlijden van [naam dorpsgenoot] (de door eiser aangewezen dorpsgenoot) telefonisch is bedreigd door Al-Shabaab. Vervolgens heeft eiser nog twee dagen in [naam dorp] verbleven zonder dat hij door Al-Shabaab is benaderd. Niet valt in te zien dat eiser volgens zijn eigen verklaringen zodanig in de aandacht stond dat hij kort na de dood van de dorpsgenoot telefonisch is bedreigd en dreigberichten ontving, maar dat Al-Shabaab in die twee dagen niet langs eisers woning is gegaan of naar eiser heeft gezocht. De rechtbank volgt de minister daarbij in zijn standpunt dat dit mede ongerijmd is omdat het dorp volgens zeggen van eiser zelf enkel overdag door de Macawisley werd bewaakt en Al-Shabaab in de avond en nacht ongehinderd in het dorp kon komen. Op de zitting heeft eiser hier weliswaar over verklaard dat conflictpartijen als Al-Shabaab en de Macawisley zich dynamisch door een gebied bewegen en niet altijd op een vaste plaats blijven, maar dat verklaart het gebrek aan interesse van Al-Shabaab in eiser niet. Zeker niet in het licht van de gebeurtenissen die daarop zijn gevolgd, zoals het steeds traceren van nieuwe telefoonnummers van eiser en de bomaanslag op de woning van de oom van eiser, waarover de rechtbank hierna zal oordelen. Uit het relaas van eiser volgt een grote mate van interesse van Al-Shabaab in de verblijfplaats van eiser, en daarbij past niet dat Al-Shabaab hem niet heeft kunnen traceren tijdens zijn verblijf in [naam dorp] en dat eiser niet direct na de geuite bedreigingen is vertrokken. Dat eiser eerst heeft nagedacht wat hij zou doen, en dat uiteindelijk zijn moeder heeft voorgesteld om naar zijn oom in [plaats] te gaan, geeft aan dat eiser geen onmiddellijk gevaar voor zijn leven vreesde. De rechtbank volgt het betoog van eiser in dit verband niet. Daarbij heeft de minister terecht opgemerkt dat eiser zijn echtgenote en kinderen in [naam dorp] heeft achtergelaten en daarmee aan Al-Shabaab een eenvoudig drukmiddel gaf om eiser te laten terugkeren. Ook hiervoor heeft eiser geen afdoende verklaring gegeven. 7.3. Daarnaast heeft eiser ongerijmd verklaard over het feit dat Al-Shabaab hem vervolgens in [plaats] heeft gevonden. Zeker gelet op eisers verklaring dat Al-Shabaab wist waar hij verbleef omdat ze hem via zijn telefoon konden traceren, terwijl hij regelmatig van telefoonnummer wisselde. Terecht heeft de minister het ongerijmd geacht dat Al- Shabaab steeds achter zijn nieuwe nummer kwam, hem daarmee kon traceren maar dat eiser desondanks zes maanden onder de radar kon blijven in [plaats] voordat hij werd gevonden door Al-Shabaab. Te meer nu eiser zelf heeft verklaard dat hij in die periode op de markt heeft gewerkt en een tijd in detentie heeft gezeten. Hij was dus relatief eenvoudig te traceren. Verder verklaart eiser ongerijmd over de bomaanslag die op de woning van zijn oom is gepleegd. De minister heeft terecht betrokken dat het vreemd is dat eiser verwachtte dat Al-Shabaab iets zou ondernemen, dat hij daarom in het huis van de buren van zijn oom verbleef, maar tegelijkertijd zijn moeder en oom in de woning van de oom achterliet. Eisers enkele verklaring dat hij zijn zorgen niet aan zijn moeder en oom heeft verteld omdat het alleemaal in korte tijd gebeurde en hij ze niet ongerust wilde maken, doet aan deze ongerijmdheden niet af. Daarbij kan ook niet worden gevolgd hoe eiser weet dat zijn moeder op het moment van de bomaanslag op het gebedskleed zat en zijn oom op een stoel bij de muur. Eiser was immers niet zelf aanwezig. 7.4. Tot slot heeft eiser ongerijmd verklaard over zijn aansluitende vertrek naar Mogadishu. Volgens zijn eigen verklaring is hij vrijwel direct opgespoord en door Al Shabaab bedreigd en heeft Al-Shabaab de woning van zijn tante in Mogadishu bezocht. Eiser maakt niet duidelijk hoe Al-Shabaab zijn nieuwe verblijfplaats zo snel kon vinden. Concluderend mocht de minister eisers verklaringen over de bedreigingen van Al-Shabaab ongeloofwaardig achten. Mag de minister Mogadishu voor eiser aanmerken als vestigingsalternatief? 8. Eiser betoogt dat de minister Mogadishu voor hem ten onrechte aanmerkt als veilig vestigingsalternatief. De minister moet een individuele risicobeoordeling maken, hetgeen in het bestreden besluit ten onrechte niet is gebeurd. Er is namelijk geen concrete individuele analyse verricht met betrekking tot de vraag of eiser juist in Mogadishu risico loopt vanwege zijn profiel. Dit terwijl uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) volgt dat voor een vestigingsalternatief een individuele en feitelijke analyse vereist is. Het bestreden besluit is dan ook tot stand gekomen in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, omdat het besluit niet zorgvuldig is voorbereid en ondeugdelijk is gemotiveerd. Oordeel van de rechtbank 9. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister terecht aan eiser een vestigingsalternatief voor Mogadishu opgelegd. Zij legt dit hieronder uit. Tussen partijen is niet in geschil dat uit openbare informatie volgt dat eisers dorp van herkomst - [naam dorp] - mogelijk niet te bereizen is zonder door het gebied te gaan waar Al-Shabaab de macht heeft of waar Al-Shabaab het gebied controleert. Verder is niet in geschil dat in gebieden in Somalië waar Al-Shabaab aan de macht is of het gebied controleert, de mensenrechtensituatie zodanig is dat voor iedere terugkeerder een reëel risico bestaat op ernstige schade als bedoeld in artikel 29a, eerste lid, van de Vw 2000. Eiser kan echter wel terugkeren naar Mogadishu. De minister heeft hierbij terecht betrokken dat eiser ongeveer twee maanden in Mogadishu heeft verbleven voordat hij vertrok uit Somalië. Dat maakt dat hij eerder heeft verbleven in het gebied buiten het gebied van herkomst. Daarnaast heeft eiser twee maanden bij zijn tante in Mogadishu verbleven, zodat de minister ook heeft gekeken naar de aanwezigheid van grootfamilie. Ook eisers echtgenote en kinderen bevinden zich naar zijn zeggen inmiddels in Mogadishu. Uit openbare informatie volgt voorts dat de Hawiye bevolkingsgroep, waartoe eiser behoort, de dominante clanfamilie is in Mogadishu. Eiser kan daarom in Mogadishu terugvallen op zijn stam. Tot slot stelt de minister zich terecht op het standpunt dat eisers problemen met Al-Shabaab niet geloofwaardig zijn geacht. Dit heeft de rechtbank hierboven in rechtsoverweging 7.2 en verder ook bevestigd. Daarbij komt dat ook de inval door Al-Shabaab die bij de tante van eiser zou hebben plaatsgevonden door de minister terecht niet geloofwaardig is geacht. Eiser heeft (ook) in Mogadishu niet te vrezen voor Al-Shabaab. De beroepsgrond slaagt niet. Conclusie en gevolgen 10. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de afwijzing van eisers asielaanvraag in stand kan blijven. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A. van Hoof, rechter, in aanwezigheid van F. Metz, griffier. Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Richtlijn 2011/95/EU, de Kwalificatierichtlijn, is per 11 juni 2026 vervallen en met de inwerkingtreding van het Europees Asiel- en Migratiepact per 12 juni 2026 vervangen door Verordening 2024/1347/EU, de Kwalificatieverordening. De rechtbank stelt vast dat eiser in zijn beroepsgronden weliswaar heeft verwezen naar een aantal bronnen, maar hiervan geen vindplaatsen, data of passages heeft aangehaald. Pagina 19 van het nader gehoor. Pagina 16 van het nader gehoor. Pagina 20 van het nader gehoor. Algemeen Ambtsbericht Somalië april 2025, pagina 33.

Related across sources

Similar Content