Skip to content
Case Law · Rechtbank Den Haag ·ECLI:NL:RBDHA:2026:20503 NL LLM context A cited markdown file you can paste into your AI assistant (ChatGPT, Claude, a RAG or project knowledge base) to ground it in this document. Contains: this document’s text, its sections with their topics, and the full text of every law provision it applies. Everything links back to its source on overview.legal — legal information, not advice.

Rechtbank Den Haag, 22-07-2026 (NL25.14181)

Rechtbank Den Haag
Summary

Regulier, aanvraag vernieuwing verblijfsdocument EU/EER, Chavez-Vilchez, gewijzigde omstandigheden, daadwerkelijke zorgtaken, afhankelijkheidsverhouding, belangenafweging 8 EVRM, beroep ongegrond.

Full text

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL25.14181 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , eiser, V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. S. Ali), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder, (gemachtigde: mr. E.N. Hanks-Spijkerman). Procesverloop Bij besluit van 13 februari 2024 heeft verweerder de aanvraag om vernieuwing van het verblijfsdocument EU/EER afgewezen (het primaire besluit). Ook is vastgesteld dat het verblijfsrecht van eiser is komen te vervallen vanaf 16 juli 2018. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen dat besluit. Bij besluit op bezwaar van 6 maart 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft het beroep op 2 juli 2026 op zitting behandeld in Breda. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verder is verschenen de ex-partner van eiser en hun twee minderjarige kinderen. Overwegingen 1. Eiser is geboren op [geboortedag] 1979 en heeft de Iraakse nationaliteit. Op 15 februari 2018 is vastgesteld dat hij een verblijfsrecht heeft op grond van artikel 20 van het VWEU , zoals bedoeld in het arrest Chavez-Vilchez. Dit is gebaseerd op de Nederlandse nationaliteit en daarmee het Unieburgerschap van zijn minderjarige kinderen [minderjarig kind 1] en [minderjarig kind 2] . 2. Verweerder heeft bij besluit van 13 februari 2024 de vernieuwingsaanvraag voor een verblijfsdocument EU/EER afgewezen. Eiser voldoet volgens verweerder niet aan de voorwaarden, omdat hij niet heeft aangetoond dat hij daadwerkelijke zorg- en opvoedingstaken verricht en dat er dus een afhankelijkheidsverhouding is tussen eiser en zijn kinderen. Verweerder heeft ook beoordeeld of het belang van eiser om hier in Nederland zijn gezinsleven uit te oefenen opweegt tegen het belang van de Nederlandse overheid. Die belangenafweging is in het nadeel van eiser uitgevallen. Verweerder heeft ook vastgesteld dat het verblijfsrecht op grond van artikel 20 van het VWEU sinds 16 juli 2018 is komen te vervallen. 3. Eiser heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt. Vervolgens heeft een hoorzitting plaatsgevonden en heeft eiser toegelicht waarom hij het niet eens is met de primaire beslissing van verweerder. Met het besluit van 6 maart 2025 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. 4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Eiser voert daartegen aan dat op het meldingsformulier van de IND staat dat een wijziging in het adres alleen hoeft te worden gemeld indien deze wijziging niet binnen vier weken aan de gemeente is doorgegeven. Eiser heeft de informatie laten registreren in de BRP en was daarom reeds in 2018 ambtshalve bekend bij verweerder. Eiser is eerder getroffen door de toeslagenaffaire, ook nu wordt eiser opnieuw geconfronteerd met de gevolgen van een handelwijze van de overheid waarbij hem achteraf een verwijt wordt gemaakt van omstandigheden die bekend waren bij de betrokken overheidsinstanties. Verweerder heeft nagelaten inzichtelijk te maken waarom van eiser mag worden verlangd dat hij met objectieve stukken aantoont dat de onzekerheid over zijn mogelijke vertrek een aanzienlijke emotionele belasting vormt voor de kinderen. Het belang van het kind dient een eerste overweging te vormen in de besluitvorming die kinderen raakt. De overgelegde schoolverklaring vormt juist een ondersteuning in de zichtbaarheid en betrokkenheid van eiser bij de school en ontwikkeling van zijn kinderen, deze wordt onterecht terzijde geschoven door verweerder als algemeen. Verweerder heeft de beschikbare informatie niet in onderlinge samenhang beoordeeld, maar voornamelijk elementen geselecteerd die in het nadeel van eiser kunnen worden uitgelegd. De overgelegde stukken ondersteunen elkaar en schetsen een consistent beeld van structureel contact en actieve betrokkenheid van eiser bij de opvoeding en verzorging van zijn kinderen. Verweerder heeft doorslaggevende betekenis toegekend aan het feit dat de kinderen hun hoofdverblijf bij de moeder hebben. Daarmee wordt echter miskend dat voor de uitoefening van een wezenlijke ouderrol geen sprake hoeft te zijn van samenwoning of hoofdverblijf bij beide ouders. Doorslaggevend is of daadwerkelijk invulling wordt gegeven aan de zorg- en opvoedingstaken en of sprake is van een reële en betekenisvolle ouder-kindrelatie. Ten aanzien van de toetsing van het gezinsleven gaat het hier niet om een eerste toelating, maar om en inmenging in het verblijfsrecht van een persoon die meer dan twintig jaar in Nederland verblijft, waarvan een deel rechtmatig. Ten aanzien van het gezinsleven is van doorslaggevend belang dat dit gezinsleven in Nederland is opgebouwd tijdens rechtmatig verblijf en uitsluitend in Nederland kan worden voortgezet. Van de in Nederland gewortelde kinderen kan redelijkerwijs niet worden verwacht dat zij hun leven verplaatsen naar Irak om daar het gezinsleven met hun vader voort te zetten. De stelling van verweerder dat het gezinsleven ook op afstand kan worden uitgeoefend, is onbegrijpelijk en miskent de feitelijke situatie. De rechtbank oordeelt als volgt. Gewijzigde omstandigheden 5. De rechtbank stelt vast dat eiser sinds 16 juli 2018 niet langer samenwoont met [minderjarig kind 1] . Ook heeft eiser sinds de geboorte van [minderjarig kind 2] niet met haar samengewoond op hetzelfde adres. Hoewel verweerder bij zijn standpunt heeft mogen betrekken dat er sprake is van gewijzigde omstandigheden ten opzichte van de situatie ten tijde van de verlening van het verblijfsdocument aan eiser in februari 2018, kan niet worden tegengeworpen dat hij zijn adreswijziging niet tijdig aan verweerder heeft doorgegeven. Eiser heeft zijn adreswijziging gemeld bij de gemeente, waarna deze is verwerkt in de BRP. Een wijziging die in de BRP is geregistreerd, hoeft niet afzonderlijk aan verweerder te worden doorgegeven. Voor zover eiser aanvoert dat hij (wederom) door de overheid wordt benadeeld doordat hem omstandigheden worden tegengeworpen die reeds bij verweerder bekend waren en dit vergelijkt met zijn ervaringen als slachtoffer van de toeslagenaffaire, volgt de rechtbank hem daarin niet. Dit vormt in elk geval geen bijzondere omstandigheid die verweerder bij de beoordeling van de aanvraag had moeten betrekken, ook niet in het licht van de omstandigheid dat verweerder eerder stelde dat het op de weg van eiser lag om zijn adreswijziging door te geven. Daadwerkelijke zorgtaken 6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij meer dan marginale zorg- en opvoedtaken verricht. Uit de door eiser overgelegde stukken volgt dat eiser aanwezig is bij het leven van zijn kinderen ondanks dat zij niet samenwonen, maar daaruit blijkt niet dat sprake is van meer dan marginale zorg- en opvoedingstaken. Verweerder heeft daarbij het volgende in aanmerking mogen nemen. De overgelegde verklaringen van de directeur van de school van de kinderen, de tandarts en een lid van de voetbalvereniging maken niet inzichtelijk wat de concrete zorg- en opvoedingstaken van eiser zijn, noch dat deze aannemelijk zijn gemaakt. Verder heeft verweerder terecht gesteld dat de overgelegde foto’s slechts momentopnames zijn waaruit niet kan worden afgeleid in hoeverre eiser zorg- en opvoedtaken verricht. Ook in de overgelegde verklaring van de moeder van de kinderen, hoefde verweerder geen aanknopingspunten te zien om meer dan marginale zorgtaken aan te nemen, omdat dit geen concrete informatie bevat over de omgang van eiser met zijn kinderen. Tot slot heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat er sprake is van een financiële afhankelijkheid met de overgelegde aankoopbewijzen en bankafschriften. Afhankelijkheidsverhouding 7. Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank verder op het standpunt kunnen stellen dat eiser eveneens niet heeft aangetoond dat zijn kinderen zodanig afhankelijk van hem zijn dat zij gedwongen worden het grondgebied van de Europese Unie te verlaten als aan eiser geen verblijfsvergunning wordt ontleend. Zoals hiervoor is overwogen heeft eiser onvoldoende bewijsstukken overgelegd waaruit volgt dat hij meer dan marginale zorg- en opvoedingstaken voor [minderjarig kind 1] en [minderjarig kind 2] verricht, zodat onvoldoende vaststaat dat sprake is van een afhankelijkheidsverhouding. Verweerder heeft in dit kader kunnen tegenwerpen dat eiser niet heeft aangetoond dat [minderjarig kind 1] en [minderjarig kind 2] worden belemmerd in hun ontwikkeling wanneer eiser niet langer dagelijks deel uitmaakt van hun leven. Ook heeft verweerder mogen meewegen dat [minderjarig kind 1] en [minderjarig kind 2] het hoofdverblijf bij hun moeder hebben. De dagelijkse zorg en opvoeding van de kinderen heeft om die reden primair bij de moeder gelegen als verzorgende ouder. Belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM 8. Verweerder heeft aangenomen dat tussen eiser en zijn kinderen sprake is van gezinsleven. De rechtbank toetst de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM vol ten aanzien van de vraag of verweerder alle relevante feiten en omstandigheden heeft betrokken in de belangenafweging. Wanneer alle feiten en omstandigheden door verweerder zijn meegewogen, wordt beoordeeld of de uitkomst van deze belangenafweging getuigt van een fair balance tussen enerzijds het belang van de vreemdeling bij het uitoefenen van familie- en gezinsleven in Nederland en anderzijds het algemeen belang van de Nederlandse Staat bij het uitvoeren van een restrictief toelatingsbeleid. Dit aspect wordt enigszins terughoudend getoetst. 9. De rechtbank stelt vast dat verweerder bij de belangenafweging alle relevante feiten en omstandigheden heeft meegewogen. Verweerder heeft niet ten onrechte in het voordeel van eiser overwogen dat hij inkomsten heeft uit werkzaamheden als zelfstandige en daarmee voldoet aan het toepasselijke normbedrag. Ook heeft verweerder niet ten onrechte overwogen eiser een periode rechtmatig verblijf heeft gehad in Nederland en dat dit in zijn voordeel uitvalt. Daartegenover heeft verweerder niet ten onrechte in het nadeel van eiser betrokken dat eiser in de periode van maart 2020 tot maart 2023 een uitkering heeft ontvangen en dat niet met stukken is onderbouwd dat zijn inkosten na afloop daarvan duurzaam zijn. Ook heeft verweerder niet ten onrechte in het nadeel van eiser meegewogen dat een deel van het verblijf waar eiser zich op beroept, niet als rechtmatig verblijf kan worden aangemerkt omdat het verblijfsrecht bij zijn partner is ingetrokken wegens het verstrekken van onjuiste persoonsgegevens. Het gezinsleven dat eiser is aangegaan terwijl zijn verblijfsrechtelijke positie onzeker was heeft verweerder eveneens niet ten onrechte in het nadeel van eiser meegewogen. Zoals de rechtbank hierboven heeft overwogen heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet meer dan marginale zorg- en opvoedingstaken verricht en dat er geen afhankelijkheidsrelatie is, zodat verweerder de belangen van zijn kinderen niet ten onrechte in het nadeel van eiser meeweegt. Verweerder heeft in zijn besluitvorming voldoende oog gehad voor het belang van de kinderen van eiser. Zo heeft verweerder niet ten onrechte overwogen dat er geen objectieve belemmering bestaat om het gezinsleven in Irak uit te oefenen, maar mocht de partner van eiser ervoor kiezen om met de kinderen in Nederland te blijven het gezinsleven tussen eiser en zijn kinderen op afstand kan worden uitgeoefend via moderne communicatiemiddelen. Tot slot heeft verweerder niet ten onrechte in het nadeel meegewogen dat eiser 24 jaar in Irak heeft gewoond en ongeveer 20 jaar in Nederland verblijft, waarvan een beperkter deel met rechtmatig verblijf. Niet gebleken is dat de banden van eiser met Nederland de banden met Irak overstijgen. 10. Gelet op het voorgaande heeft verweerder alle feiten en omstandigheden in samenhang bezien en heeft hij voldoende gemotiveerd waarom de belangenafweging in het nadeel van eiser uitvalt. Verweerder heeft niet ten onrechte geconcludeerd dat het algemeen belang van de Nederlandse overheid zwaarder weegt dan het persoonlijk belang van eiser, zodat geen sprake is van strijd met artikel 8 van het EVRM. Conclusie en gevolgen 11. Het beroep is ongegrond. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de aanvraag van eiser tot afgifte van een verblijfsdocument EU/EER terecht heeft afgewezen. Daarom verklaart de rechtbank het beroep ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling of een vergoeding van het griffierecht is geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan op 22 juli 2026 door mr. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S.J.I. Hendrickx, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De uitspraak is bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Zoals bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Verdrag van de Werking van de Europese Unie. Arrest Chavez-Vilchez van het Hof van Justitie (Hof) van 10 mei 2017, ECLI:EU:C:2017:354. Basisregistratie personen. Het Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden.

Similar Content