Skip to content
Case Law · Rechtbank Den Haag ·ECLI:NL:RBDHA:2026:21936 NL LLM context A cited markdown file you can paste into your AI assistant (ChatGPT, Claude, a RAG or project knowledge base) to ground it in this document. Contains: this document’s text, its sections with their topics, and the full text of every law provision it applies. Everything links back to its source on overview.legal — legal information, not advice.

Rechtbank Den Haag, 31-07-2026 (C/09/709528 / KG ZA 26-831)

Rechtbank Den Haag
Summary

De kernvraag in dit kort geding is of het gedaagde – een zorgkantoor – is toegestaan om de Wet Bibob toe te passen in de inkoopprocedure voor Wlz-zorg en of zij op grond daarvan van inschrijvers mag verlangen dat zij de in de inkoopprocedure verzochte gegevens verstrekken. Op basis van de op dit moment geldende wettelijke regeling wordt die vraag ontkennend beantwoord. Dat leidt ertoe dat het gedaagde wordt verboden om van inschrijvers nakoming van de verplichtingen uit hoofde van de Wet Bibob te verlangen tijdens de loop van de inkoopprocedure en in de te sluiten overeenkomsten, zolang deze wet in de huidige vorm van kracht is.

Full text

Rechtbank den haag Team handel - voorzieningenrechter zaak- / rolnummer: C/09/709528 / KG ZA 26-831 Vonnis in kort geding van 31 juli 2026 in de zaak van Stichting Pleyade te Arnhem, eiseres, advocaten mrs. F.J.J. Cornelissen, J.W.H. van Garderen, R. Tak en M.J. Roetert Steenbruggen-Hulshof te Arnhem, tegen: Stichting Zorgkantoor Menzis te Wageningen, gedaagde, advocaten mrs. A.B.B. Gelderman en L.J. Vermeulen te Enschede. Partijen worden hierna ‘Pleyade’ en ‘Menzis’ genoemd. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding met de daarbij en nadien overgelegde producties (1 tot en met 18); - de conclusie van antwoord met een productie (1); 1.2. De mondelinge behandeling van de zaak vond plaats op 28 juli 2026. Tijdens de zitting hebben partijen hun standpunten verder toegelicht, mede aan de hand van (overgelegde) spreekaantekeningen. Ook hebben partijen vragen van de voorzieningenrechter beantwoord. 1.3. Op 31 juli 2026 is door middel van een verkort vonnis uitspraak gedaan. Het onderstaande vormt daarvan de uitwerking, die is vastgesteld op 6 augustus 2026. 2 De feiten Op grond van de stukken en wat tijdens de zitting is besproken, wordt in dit geding van het volgende uitgegaan. 2.1. Pleyade is een organisatie die zorg aanbiedt aan (kwetsbare) ouderen in de regio Arnhem en omstreken. De zorg die Pleyade verleent wordt voor het overgrote deel gefinancierd vanuit de Wet langdurige zorg (Wlz). Pleyade heeft daartoe een overeenkomst gesloten met Menzis. 2.2. Menzis is als zorgkantoor belast met de uitvoering van zorg die valt onder de Wlz. Zij is verantwoordelijk voor alle Wlz-zorg in de regio’s Arnhem, Groningen en Twente. De overeenkomsten die Menzis daartoe heeft gesloten met zorgaanbieders die Wlz-zorg leveren, lopen op 1 januari 2027 af. Menzis heeft daarom een procedure georganiseerd voor de inkoop van Wlz-zorg (de inkoopprocedure), zoals beschreven in het Zorginkoopbeleid Langdurige zorg 2027-2029 (het inkoopbeleid). 2.3. In paragraaf 6.1 van het inkoopbeleid wordt beschreven dat en waarom Menzis in deze contractperiode het gebruik van de Wet Bibob introduceert. Daarbij stelt Menzis dat deze wet rechtspersonen met een overheidstaak, waaronder Wlz-uitvoerders, de mogelijkheid biedt om door middel van eigen onderzoek of een adviesaanvraag bij het Landelijk Bureau Bibob (LBB) onderzoek te doen naar zorgaanbieders die een inschrijving hebben ingediend. De uitkomsten van dat onderzoek kunnen ertoe leiden dat de zorgaanbieder wordt uitgesloten van verdere deelname aan de inkoopprocedure of dat de overeenkomst per direct wordt ontbonden. 2.4. In diezelfde paragraaf wordt de toepassing van de Wet Bibob gedurende de inkoopprocedure beschreven. Daaruit volgt dat de procedure bestaat uit drie stappen. In het vooronderzoek (stap 1) moeten zorgaanbieders in het Bibob-vooronderzoekformulier (bijlage B) diverse gegevens van, kort gezegd, de zorgaanbieder, onderaannemers en daarbij betrokken partijen, zoals vertegenwoordigers, leidinggevenden, zeggenschapshebbenden en vermogensverschaffer(s) invullen en indienen. Menzis verricht vervolgens vooronderzoek. Stap 2 is van toepassing indien uit dat vooronderzoek integriteitsrisico’s naar voren komen. De zorgaanbieder moet dan het Bibob-vragenformulier (bijlage C) invullen en indienen. Menzis voert dan opnieuw, nu uitgebreider, onderzoek uit. Stap 3 houdt de mogelijkheid in voor Menzis om, afhankelijk van de uitkomst van dat uitgebreidere onderzoek, advies te vragen aan het LBB. Daartoe vult Menzis het landelijk formulier ‘Bevindingen Eigen Onderzoek (bijlage D) in, dat zij toestuurt aan het LBB. 2.5. In de inkoopprocedure wordt onderscheid gemaakt tussen eenjarige overeenkomsten voor nieuwe zorgaanbieders en driejarige overeenkomsten voor bestaande zorgaanbieders. 2.6. Menzis heeft naar aanleiding van door inschrijvers gestelde vragen een Nota van Inlichtingen (NvI) en een Nota van Wijziging (NvW) gepubliceerd. In de NvW heeft Menzis de Bibob-procedure aangepast en verduidelijkt. De bedoeling hiervan is de administratieve lasten voor de zorgaanbieders te verminderen. Omdat Pleyade vlak voor de publicatie van de NvW een kort geding heeft aangekondigd in verband met haar principiële bezwaren tegen de toepassing van de Wet Bibob in de inkoopprocedure, heeft Menzis in de NvW ook meegedeeld dat de toepassing van de Wet Bibob, zoals opgenomen in het inkoopbeleid, wordt opgeschort in afwachting van de uitkomst van dit kort geding. 3 Het geschil 3.1. Pleyade vordert – zakelijk weergegeven – om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: Menzis te gebieden i) het inkoopbeleid te wijzigen en gewijzigd te houden, in het bijzonder door schrapping van het Bibob-onderzoek (paragraaf 6.1 van het Inkoopbeleid) en ii) Bijlagen B, C en D alsmede de Bibob-gerelateerde bepalingen in artikel 6 van de zorgovereenkomsten te schrappen en geschrapt te houden dan wel, als er pas een vonnis wordt gewezen in deze zaak nadat Menzis de zorgovereenkomsten al heeft gesloten, deze te vernietigen, met veroordeling van Menzis in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente, en de nakosten, een en ander zoals in de dagvaarding nader omschreven. 3.2. Daartoe voert Pleyade – samengevat – het volgende aan. Het is Menzis niet toegestaan om de Wet Bibob toe te passen in de inkoopprocedure. De Wet Bibob biedt daarvoor geen grondslag. Iedere gegevensverwerking is daarom ook in strijd met de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG). Het inkoopbeleid dient hierop te worden aangepast op de manier zoals door Pleyade is gevorderd. Zonder die aanpassing kan Pleyade niet inschrijven zonder de AVG te schenden. 3.3. Menzis voert verweer tegen het gevorderde. Zij concludeert tot afwijzing hiervan, met veroordeling van Pleyade in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente, zoals in de conclusie van antwoord nader omschreven. Het verweer van Menzis zal hierna, voor zover nodig, worden besproken. 4 De beoordeling van het geschil De zaak in het kort 4.1. De kernvraag in dit kort geding is of het Menzis is toegestaan om de Wet Bibob toe te passen in de inkoopprocedure en of zij op grond daarvan van inschrijvers mag verlangen dat zij de in de inkoopprocedure verzochte gegevens verstrekken. Op basis van de op dit moment geldende wettelijke regeling wordt die vraag ontkennend beantwoord. Dat leidt ertoe dat het Menzis wordt verboden om van inschrijvers nakoming van de verplichtingen uit hoofde van de Wet Bibob te verlangen tijdens de loop van de inkoopprocedure en in de te sluiten overeenkomsten, zolang deze wet in de huidige vorm van kracht is. Doelstelling en juridisch kader Wet Bibob 4.2. De Wet Bibob staat voor de bevordering van integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur. Deze wet voorkomt dat de overheid onbewust criminaliteit faciliteert, bijvoorbeeld door het verlenen van een vergunning of het verstrekken van een subsidie aan een malafide ondernemer. 4.3. De Wet Bibob kent een subjectieve en een objectieve werkingssfeer. De subjectieve werkingssfeer heeft betrekking op de vraag wie bevoegd is de Wet Bibob toe te passen. Dat Menzis daartoe bevoegd is, is tussen partijen niet in geschil. In het Besluit Bibob zijn immers Wlz-uitvoerders aangewezen als rechtspersonen met een overheidstaak en die rechtspersonen zijn bevoegd het LBB om advies te vragen en om zelf onderzoek te verrichten. 4.4. De objectieve werkingssfeer heeft betrekking op de vraag bij welke handelingen de Wet Bibob toegepast mag worden. Dat is onder meer het geval bij een overheidsopdracht . Daaronder wordt mede verstaan ‘een overeenkomst waarmee een rechtspersoon met een overheidstaak zorg als bedoeld in artikel 2.11 van de Jeugdwet of artikel 2.1.1 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 inkoopt bij een ondernemer in het kader van een systeem waarbij voornoemde rechtspersoon overeenkomsten sluit met iedere ondernemer die zich ertoe verbindt om diensten of goederen te leveren tegen vooraf vastgestelde voorwaarden zonder dat het aantal belangstellende ondernemers aan de hand van een gunningscriterium wordt beperkt, met dien verstande dat voor ‘gegadigde’ wordt gelezen ‘ondernemer’. 4.5. Het vorenstaande betreft een uitbreiding die is ingevoerd als gevolg van een amendement. Dat amendement is ingediend bij een wetsvoorstel dat heeft geleid tot een wetswijziging op 1 oktober 2022. In de toelichting op het amendement staat het volgende vermeld: ‘Het amendement beoogt een aanpassing van de Wet Bibob, zodat zogenaamde ‘sociale en andere specifieke diensten’ (SAS-diensten) specifiek gericht op de zorgsector, ingekocht door overheden via een (semi-)open house- of toelatingsprocedure (waaronder ook bestuurlijk aanbesteden), ook onder het toepassingsbereik van de Wet Bibob gaan vallen. Per 1 augustus 2020 beoogde de wetgever alle overheidsopdrachten, ongeacht in welke sector deze worden verschaft, bibobabel te maken. De wetgever beoogde hiermee blijkens de memorie van toelichting, ook overheidsopdrachten op het gebied van zorginkoop onder het toepassingsbereik van de Wet Bibob te laten vallen. Sinds 1 augustus 2020 is het begrip ‘overheidsopdracht’ gelijkluidend aan dit begrip in de Aanbestedingswet 2012. Dit is in artikel 1, eerste lid, van de Wet Bibob, als volgt bepaald: ‘overheidsopdracht als bedoeld in artikel 1.1 van de Aanbestedingswet 2012’. In het geval van sociale en andere specifieke diensten (SAS-diensten) in de zin van de Aanbestedingsrichtlijn (richtlijn 2014/24/EU) kunnen overheden ervoor kiezen om op de overheidsopdrachten een vereenvoudigde aanbestedingsprocedure toe te passen. Bij dergelijke overheidsopdrachten geldt volgens de artikelen 2.38 en 2.39 van de Aanbestedingswet 2012 een lichter regime, dat veel ruimte laat voor overheden om eigen invulling te geven. Bij gezondheidszorg en maatschappelijke dienstverlening is deze procedure het uitgangspunt, aldus artikel 2.38, tweede lid. Ook bij deze vereenvoudigde aanbestedingsprocedure blijft sprake van een overheidsopdracht in de zin van de Aanbestedingswet 2012. Gelet op de koppeling met de definitie van overheidsopdracht in artikel 1, eerste lid, van de Wet Bibob is de Wet Bibob hierop reeds van toepassing, overigens ongeacht de vraag of het drempelbedrag van € 750.000,– uit de Aanbestedingsrichtlijn wordt overschreden. Overheden mogen ervoor kiezen om hun inkoop op een andere wijze te organiseren, zoals via subsidieverstrekking of een (semi)open house-procedure of toelatingsprocedure. Dat geldt ook in geval van SAS-diensten en gebeurt in de praktijk ook. Een open house of toelatingsprocedure is op grond van de Aanbestedingswet 2012, althans op grond van aanbestedingsjurisprudentie, geen wettelijk voorgeschreven aanbestedingsprocedure, maar een wijze van contracteren die aanbestedingsrechtelijk niet kwalificeert als ‘overheidsopdracht’, en valt daarmee niet onder de definitie van overheidsopdracht onder de Wet Bibob. Als wordt gekozen voor subsidieverstrekking, valt de inkoop reeds onder de Wet Bibob. Met dit amendement, dat ziet op SAS-diensten op grond van de Jeugdwet en de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 waarvoor een (semi)open house-procedure of toelatingsprocedure wordt gekozen, willen wij ook deze vormen van zorginkoop door overheden onder de Wet Bibob brengen, omdat juist ook hier relevant is te onderzoeken of de personen bij wie deze overheden zorg inkopen betrouwbaar en integer zijn.” Standpunten van partijen 4.6. Menzis heeft toegelicht dat zij de afgelopen jaren in toenemende mate te maken heeft met zorgcriminaliteit, die zich steeds meer verplaatst van andere zorgdomeinen zoals de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo) en de Jeugdwet naar de Wlz. Menzis stelt dat toepassing van de Wet Bibob haar de mogelijkheid biedt om malafide zorgaanbieders te weren en een integere zorgketen te waarborgen. Menzis meent dat zij op grond van de onder 4.4 vermelde definitie van overheidsopdracht ook bevoegd is om de Wet Bibob toe te passen. Zij verwijst daartoe naar de tekst van het artikel, maar met name ook naar de wetsgeschiedenis, in het bijzonder de toelichting op het amendement, zoals hiervoor weergegeven. 4.7. Pleyade heeft verklaard het doel dat Menzis nastreeft met haar beleid te onderschrijven. Zij wil daaraan ook haar volledige medewerking verlenen, maar wel voor zover dat van haar gevergd kan worden. Dat is volgens Pleyade hier niet het geval, omdat Menzis geen wettelijke bevoegdheid heeft om een Bibob-onderzoek uit te voeren. Dat brengt met zich dat, als zij desondanks de gevraagde persoonsgegevens aan Menzis verstrekt, zij de privacy-rechten van haar bestuurders en van andere betrokkenen schendt en handelt in strijd met de AVG. Ter onderbouwing van haar standpunt wijst Pleyade erop dat in artikel 1, vierde lid, onder b van de Wet Bibob niet wordt gesproken over zorg in de zin van de Wlz. Uit de wetsgeschiedenis kan volgens Pleyade ook niet worden afgeleid dat de wetgever dat wel heeft beoogd. Oordeel voorzieningenrechter 4.8. De voorzieningenrechter volgt Pleyade in haar standpunt. Artikel 1, vierde lid, onder b van de Wet Bibob ziet, gezien de tekst van dat artikel, op overeenkomsten waarbij door rechtspersonen met een overheidstaak zorg wordt ingekocht zoals bedoeld in artikel 2.11 van de Jeugdwet of zoals bedoeld in artikel 2.1.1 van de Wmo. Er is klaarblijkelijk sprake van een limitatieve opsomming van twee, niet algemeen maar zeer concreet omschreven, vormen van zorg in een bepaling die op zichzelf duidelijk en niet voor meerderlei uitleg vatbaar is. In de tekst noch in de context is enig aanknopingspunt te vinden voor de veronderstelling dat de wetgever de Jeugdwet en de Wmo slechts als voorbeelden heeft willen noemen. Het gaat naar het oordeel van de voorzieningenrechter te ver om in dit geval op basis van de wetsgeschiedenis een van de glasheldere wettekst afwijkende uitleg te hanteren, in die zin dat wordt aangenomen dat ook een derde – in het artikel niet genoemde – vorm van zorg, de Wlz-zorg, onder de reikwijdte van de bepaling moet worden begrepen. 4.9. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan uit de wetsgeschiedenis overigens ook niet worden afgeleid dat het destijds de bedoeling van de wetgever was om de uitbreiding eveneens van toepassing te laten zijn op inkoopprocedures waarbij Wlz-zorg wordt ingekocht. In de toelichting op het amendement is te lezen dat het amendement ziet op SAS-diensten op grond van de Jeugdwet en de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 waarvoor een (semi)open house-procedure of toelatingsprocedure wordt gekozen. Die (specifieke) vormen van zorginkoop door overheden willen de indieners van het amendement blijkens de toelichting hierop onder de Wet Bibob brengen. Daarbij gaat het dus, anders dan Menzis heeft betoogd, niet alleen om het soort procedure dat wordt gekozen, maar ook om ‘SAS-diensten’ en om ‘zorg die op grond van de Jeugdwet en de Wmo wordt ingekocht’. Daarvan is hier geen sprake. Of de inkoopprocedure kwalificeert als een (semi)open house-procedure of toelatingsprocedure (waarover partijen met elkaar van mening verschillen) kan dan ook onbesproken blijven. 4.10. In de toelichting op het amendement komt verder ook expliciet aan de orde dat, als overheden in geval van SAS-diensten een vereenvoudigde aanbestedingsprocedure organiseren, de Wet Bibob daarop van toepassing is, maar indien een wijze van contracteren wordt gekozen die aanbestedingsrechtelijk niet kwalificeert als overheidsopdracht, die wet daarop niet van toepassing is. Pleyade heeft terecht opgemerkt dat de indieners van het amendement er gelet daarop met name voor lijken te hebben willen zorgen dat gemeenten de Wet Bibob kunnen toepassen, of zij nou inkopen met selectie (via een aanbesteding) of zonder selectie (via een open house procedure). 4.11. Menzis heeft ter onderbouwing van haar standpunt ook nog verwezen naar de uit de parlementaire geschiedenis blijkende wens van de wetgever om i) de instrumenten van de Wet Bibob flexibeler te kunnen inzetten bij overheidsopdrachten, omdat crimineel geld altijd nieuwe uitwegen zal zoeken, ii) te voorkomen dat de lijst van sectoren telkens moet worden uitgebreid en iii) te voorkomen dat er een ‘waterbedeffect’ optreedt, doordat in andere sectoren bestuursorganen minder bevoegdheden hebben om de integriteit te beschermen. Een dergelijke wens van de wetgever kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter echter pas gevolgen hebben, indien deze heeft geresulteerd in een wetsbepaling die daar ook ruimte voor biedt. Dat is hier niet het geval. 4.12. Menzis heeft nog de vraag opgeworpen waarom Wlz-uitvoerders in het Besluit Bibob zijn aangewezen als rechtspersonen met een overheidstaak als zij niet bevoegd zijn de Wet Bibob toe te passen op inkoopprocedures als deze. Het antwoord op die vraag is niet duidelijk. Gebleken is dat Wlz-uitvoerders al zijn aangewezen ten tijde van de invoering van de Wlz. Pleyade heeft ter zitting geopperd dat er destijds wellicht niet goed over is nagedacht of dat de regering er destijds vanuit ging dat zorgkantoren aanbestedende diensten zijn. De voorzieningenrechter acht beide opties mogelijk. 4.13. Uit het voorgaande volgt dat Menzis bij de inkoop van Wlz-zorg niet bevoegd is de Wet Bibob toe te passen. Partijen zijn het erover eens dat er gelet daarop ook geen wettelijke grondslag is voor Menzis om van inschrijvers de in de inkoopprocedure gevraagde gegevens te verlangen. Belangenafweging 4.14. Alhoewel vanzelfsprekend is dat zorgcriminaliteit in de Wlz-zorg moet worden bestreden en de inzet van de Wet Bibob daaraan kan bijdragen, kan bij een conclusie zoals onder 4.13 vermeld een belangenafweging er niet toe leiden dat het gevorderde desondanks wordt afgewezen. Het is aan de wetgever het toepassingsbereik van die wet desgewenst uit te breiden. De vorderingen 4.15. Gelet op voormelde conclusie heeft Pleyade een spoedeisend belang bij een in dit geding te treffen voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter volgt Menzis in haar verzoek om niet de door Pleyade verzochte voorziening te treffen, omdat Menzis in dat geval de Wet Bibob de aankomende drie jaren niet kan toepassen bij de inkoop van Wlz-zorg. Menzis bepleit dat een voorziening wordt getroffen waarbij voor haar de mogelijkheid beschikbaar blijft om, indien de Wet Bibob het alsnog mogelijk maakt de Bibob-regels op Wlz-contracten toe te passen, dat ook op lopende contracten te kunnen doen. De voorzieningenrechter is van oordeel dat, met de te treffen voorziening zoals hierna geformuleerd, tegemoet gekomen wordt aan die wens van Menzis, zonder dat wordt afgedaan aan het belang van Pleyade. Proceskosten 4.16. Menzis is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Pleyade worden begroot op de wijze zoals hierna in de beslissing vermeld. 4.17. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing. 5 De beslissing De voorzieningenrechter: 5.1. verbiedt Menzis om van inschrijvers nakoming van de verplichtingen uit hoofde van de Wet Bibob te verlangen tijdens de loop van de inkoopprocedure en in te sluiten overeenkomsten voor het leveren van Wlz-zorg (Zorg in Natura) voor de periode 2027-2029, zolang die wet in de huidige vorm van kracht is; 5.2. veroordeelt Menzis in de proceskosten van € 2.229,65 (te weten kosten dagvaarding € 125,57, informatiekosten € 3,08, griffierecht € 735, salaris advocaat € 1.177 en nakosten € 189 (plus na te melden verhoging), te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als Menzis niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet zij € 98 extra betalen, plus de kosten van betekening; 5.3. veroordeelt Menzis in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 van het Burgerlijk Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan; 5.4. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad; 5.5. wijst af het meer of anders gevorderde. Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. Vetter en in het openbaar uitgesproken op 31 juli 2026. ts artikel 5, tweede lid, onder a van de Wet Bibob. artikel 1, vierde lid, onder b van de Wet Bibob. Kamerstukken II 2021/22, 35764, nr. 9

Similar Content