Skip to content
Case Law · Rechtbank Noord-Holland ·ECLI:NL:RBNHO:2026:9872 NL LLM context A cited markdown file you can paste into your AI assistant (ChatGPT, Claude, a RAG or project knowledge base) to ground it in this document. Contains: this document’s text, its sections with their topics, and the full text of every law provision it applies. Everything links back to its source on overview.legal — legal information, not advice.

Rechtbank Noord-Holland, 05-08-2026 (C/15/359590 / HA ZA 24-672)

Rechtbank Noord-Holland
Summary

Verzekeringszaak. Terechte weigering van verzekeraar om dekking te verlenen. Polisuitsluiting. Zelfdoding. Betalingsvorderingen van verzekerde worden afgewezen. Vervolg op vonnis 9 april 2025 ECLI:NL:RBNHO:2025:3921.

How it connects

Full text

RECHTBANK Noord-Holland Civiel recht Zittingsplaats Alkmaar Zaaknummer: C/15/359590 / HA ZA 24-672 Vonnis van 5 augustus 2026 in de zaak van [eiser] , te [woonplaats] , eisende partij, hierna te noemen: [eiser] , advocaat: mr. C. Fledderus, tegen de rechtspersoon naar buitenlands recht IPTIQ LIFE S.A. , statutair gevestigd te Luxemburg en in Nederland kantoorhoudende te Hoofddorp, gedaagde partij, hierna te noemen: iptiQ, advocaat: mr. J.R. Meelker. De zaak in het kort [eiser] maakt in verband met het overlijden van zijn echtgenoot aanspraak op uitkering uit hoofde van een bij iptiQ afgesloten overlijdensrisicoverzekering. Volgens [eiser] is iptiQ op grond van de polisvoorwaarden verplicht tot betaling van het verzekerde bedrag over te gaan. IptiQ weigert dekking onder de polis te verlenen. Volgens iptiQ is de echtgenoot van [eiser] binnen twee jaar na de ingangsdatum van de verzekering door zelfdoding om het leven gekomen en is daarmee sprake van een polisuitsluiting. De rechtbank oordeelt dat iptiQ zich terecht beroept op deze uitsluitingsclausule. Zij wijst de betalingsvorderingen van [eiser] daarom af. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 18 november 2024 met producties 1-9; - de incidentele conclusie van iptiQ tot afgifte van bescheiden ex artikel 843a (oud) van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) met producties 1-8; - de conclusie van antwoord in het incident; - het vonnis in incident van 9 april 2025, waarbij de rechtbank de incidentele vordering van iptiQ heeft afgewezen, met veroordeling van iptiQ in de kosten van het incident; - de conclusie van antwoord met producties 9-12; - het tussenvonnis van 18 juni 2025, waarbij de rechtbank een mondelinge behandeling heeft bevolen; - de akte overlegging producties tevens wijziging vordering van iptiQ met producties 13-22. 1.2. Op 20 januari 2026 heeft de mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden. Op de zitting is [eiser] verschenen, bijgestaan door mr. C. Fledderus. Namens iptiQ zijn verschenen [bedrijfsjurist gedaagde] , bedrijfsjurist, en [fraudecoördinator gedaagde] , fraudecoördinator, bijgestaan door mr. J.R. Meelker. Daarnaast is verschenen mr. [naam] , werkzaam bij TAF BV, aanbieder van levensverzekeringen (hierna: TAF). 1.3. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht. Mrs. Fledderus en Meelker hebben gebruik gemaakt van spreekaantekeningen, die zij ter zitting aan de rechtbank hebben overgelegd en die daarmee onderdeel zijn geworden van de processtukken. Aan het einde van de mondelinge behandeling heeft de rechtbank de zaak verwezen naar de rol van 18 februari 2026 voor het nemen van een akte door [eiser] . 1.4. Op verzoek van iptiQ heeft de rechter op 23 januari 2026 proces-verbaal van de mondelinge behandeling opgemaakt en dat aan partijen toegezonden. 1.5. Na inwilliging van een eenstemmig uitstelverzoek heeft [eiser] op de rol van 18 maart 2026 een akte met producties 10 en 11 genomen. Op de rol van 13 mei 2026 heeft iptiQ een antwoordakte genomen. 1.6. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De feiten 2.1. [eiser] is op 18 oktober 2019 getrouwd met [erflater] (hierna: [erflater] ). Zij hebben in 2022 gezamenlijk een woning gekocht in [woonplaats] . 2.2. Ten behoeve van de financiering van deze woning hebben [eiser] en [erflater] een hypothecaire geldlening afgesloten. Het risico op voortijdig overlijden werd daarbij afgedekt door middel van een overlijdensrisicoverzekering (hierna: de verzekering). De verzekering is via intermediair de Hypotheekshop Tilburg tot stand gekomen. TAF heeft de verzekering gesloten als gevolmachtigd agent van verzekeraar iptiQ. 2.3. De verzekering is op 1 juli 2022 ingegaan met een looptijd van dertig jaar. Zowel [eiser] als [erflater] was verzekerde op de polis en verzekeringnemer. Het verzekerde kapitaal voor beide levens bedroeg bij aanvang van de polis € 255.000,- en daalt gedurende de looptijd annuïtair. 2.4. Op de verzekering zijn de polisvoorwaarden IPT ORV 12-2020 (hierna: de polisvoorwaarden) van toepassing. 2.5. Artikel 23.1 van de polisvoorwaarden bepaalt dat het verzekerd bedrag wordt uitbetaald nadat de in die bepaling genoemde stukken (a tot en met e) door de verzekeraar zijn ontvangen en het recht op uitkering door de verzekeraar is vastgesteld. De verzekeraar kan volgens artikel 23.3 van de polisvoorwaarden aanvullende inlichtingen of bewijzen verlangen of deze zelf inwinnen, als dit ter vaststelling van het recht op een uitkering of de omvang van de uitkering nodig wordt geacht. Zolang de verzekeraar deze inlichtingen of bewijzen niet heeft ontvangen is zij gerechtigd een uitkering op te schorten. Artikel 6.1 aanhef en sub c van de polisvoorwaarden bevat een uitsluitingsclausule die bepaalt dat geen recht op uitkering bestaat indien ‘het overlijden het gevolg is van zelfdoding of een poging daartoe’. Dit geldt volgens de polisvoorwaarden alleen, voor zover van belang, als de (poging tot) zelfdoding heeft plaatsgevonden binnen twee jaar na de ingangsdatum van de verzekering. Zelfdoding is in de polisvoorwaarden gedefinieerd als ‘het al dan niet opzettelijk beëindigen van het eigen leven’. 2.6. [erflater] is op 20 januari 2023 overleden. [eiser] heeft iptiQ via TAF verzocht tot uitkering over te gaan van het verzekerd bedrag (op dat moment € 249.000,-). 2.7. TAF heeft vervolgens de ‘vragenlijst melden van een overlijden’ naar [eiser] gestuurd. Op deze lijst heeft [eiser] op 17 februari 2023 het volgende ingevuld, voor zover relevant: “Dag en tijd van overlijden: 20-1-2023, 07:00 (…) 1.1 Wat was de oorzaak van het overlijden? (gelieve zo specifiek mogelijk te omschrijven) Verkeersongeval die tot de dood veroorzaakte 1.2 Wat was de toedracht/gebeurtenis die voorafgegaan is aan het overlijden? N.v.t. 1.3 Is er na het overlijden nog onderzoek gedaan naar de oorzaak/autopsie uitgevoerd? Nee 1.4 Waren er voorafgaand aan het overlijden klachten en sinds wanneer waren deze bekend? Nee (…) 3.1 Datum van het ongeval: 20-1-2023 Plaats van het ongeval: Vught Korte omschrijving van het ongeval: verkeersongeval, was er zelf niet aanwezig. 3.2 Werd de betrokkene als gevolg van het ongeval opgenomen in het ziekenhuis? Nee 3.3 Werd er een proces-verbaal opgemaakt? Nee Zo nee, wat was de reden dat er geen onderzoek is gedaan? Heb geen proces verbaal ontvangen, mij niet bekend (...)” 2.8. TAF heeft op 24 maart 2023 opdracht gegeven aan expertisebureau Sedgwick om een onderzoek uit te voeren naar de toedracht. Sedgwick heeft haar bevindingen neergelegd in een rapport van 7 april 2023. In dit rapport is vermeld dat zowel [eiser] als de oom en vader van [erflater] niet weten wat er op 20 januari 2023 is gebeurd. In het rapport heeft de onderzoeker van Sedgwick over het overlijden van [erflater] het volgende geschreven: “(…) [eiser] vertelde dat op 20 januari 2023 ineens de politie bij diens schoonouders aan de deur stond om te laten weten dat hun zoon was overleden. Zijn schoonmoeder heeft [eiser] gebeld toen de politie er was maar zij kon bijna niets zeggen omdat zij volledig van de kaart was waarop de politieagent de telefoon heeft overgenomen. De politie agent zou niet veel informatie hebben kunnen geven. Verzekerde zou dood zijn aangetroffen naast zijn auto. Er is geen politierapport of proces verbaal opgesteld en er zou ook geen nader onderzoek zijn gedaan naar de wijze waarop verzekerde om het leven is gekomen. [eiser] vertelde dat de politie geen onderzoek zou hebben gedaan omdat er geen getuigen waren. Ik informeerde of [eiser] sectie heeft laten verrichten op het lichaam. [eiser] antwoordde dat hij daar geen moment over heeft nagedacht, het is dat ik daar nu naar vraag. [eiser] en de oom van verzekerde vertelden dat het hele lichaam van verzekerde nog intact was. Hij had alleen een hoofdwond. Ik informeerde naar de plaats waar verzekerde dood is aangetroffen c.q. op welke plek. Volgens [eiser] was dit ergens in de bosjes in de buurt van Vught maar de exacte locatie weet [eiser] niet. [eiser] gaat ook bewust niet naar de plek toe. Ik vroeg of verzekerde suïcidaal was of depressief. Volgens [eiser] was verzekerde noch suïcidaal en noch depressief. Zij hebben in oktober 2022 nog een housewarming gegeven waarbij verzekerde heel trots aan iedereen hun nieuwe woning heeft laten zien. Ook hadden zij nog allerlei toekomstplannen. De avond voor het overlijden hebben zij nog samen in België een frietje gegeten. Verzekerde heeft ook geen afscheidsbrief of iets dergelijks achtergelaten. [eiser] en de oom van verzekerde gaven aan dat zij tot op heden volledig in het duister tasten over de oorzaak en de wijze waarop verzekerde is overleden hetgeen het allemaal nog moeilijker maakt. (…)” 2.9. TAF heeft op 1 juni 2023 Sedgwick opdracht gegeven om aanvullend onderzoek te doen. In dat kader heeft [eiser] aan Sedgwick een machtiging verstrekt om onder meer informatie op te vragen bij het Openbaar Ministerie en de politie. In haar eindrapport van 29 november 2023 heeft Sedgwick vermeld dat een open bronnenonderzoek is verricht en dat meerdere malen is gesproken met [eiser] en met de moeder van [erflater] . Daarnaast heeft Sedgwick met behulp van de machtiging van [eiser] geprobeerd informatie in te winnen bij derde partijen over de toedracht en omstandigheden van het overlijden van [erflater] . Er is onder meer telefonisch contact geweest met een wijkagent van de politie Vught en met de Privacydesk van de politie Eenheid Oost-Brabant. Dit laatste naar aanleiding van de afwijzing van een informatieverzoek van Sedgwick over het overlijden van [erflater] . De Privacydesk van de politie Eenheid Oost-Brabant heeft Sedgwick op 19 september 2023 schriftelijk bericht dat er geen wettelijke grondslag is om de doodsoorzaak aan Sedgwick te verstrekken. 2.10. Sedgwick heeft in haar eindrapport de volgende samenvatting van haar bevindingen gegeven: “• Verzekerde is overleden door een aanrijding met een trein rond 07:00 uur op 20 januari 2023. Verzekerde was geen inzittende in een voertuig. • Dit was bij een spoorwegovergang in [plaats] . De precieze locatie waar het lichaam is gevonden is onbekend. • Precieze toedracht van het overlijden is eveneens onbekend. • Politie en Privacydesk geven aan dat volgens hen de nabestaanden op de hoogte moeten zijn van wat er precies met verzekerde is gebeurd. • Er is een (of meer) proces(sen)-verbaal opgemaakt door de politie. Volgens de politie bevat het proces-verbaal details die meer duidelijkheid geven over de toedracht van het overlijden. • Het proces-verbaal kan slechts via een rouwverzoek door een nabestaande worden ingezien. • Belanghebbende en de moeder van verzekerde hebben aangegeven niet toe te zijn aan het indienen van een rouwverzoek.” 2.11. Bij dit eindrapport zijn als bijlagen 4 en 11 twee – door [eiser] en onderzoekers getekende - verslagen gevoegd van interviews die Sedgwick op 12 juli 2023 en 10 november 2023 heeft afgenomen van [eiser] . [eiser] heeft toen het volgende verklaard, voor zover van belang: “ Bijlage 4 interview op 12 juli 2023 (...) Ik weet zelf niet wat er is gebeurd, het ene moment denk ik dat, het andere moment dat. Ik denk in ieder geval geen zelfmoord. Hij heeft nooit die intentie gehad. Ik heb de huisarts ook achteraf gebeld, daar was hij ook al jaren niet geweest. Ik heb verder ook geen contact meer gehad met de politie. (…) De politie heeft verklaard aan mijn schoonouders dat [erflater] is overleden door een dodelijk ongeval. Er is geen proces-verbaal of iets dergelijks opgemaakt, dit hebben we nagevraagd. (...) Bijlage 11 interview op 10 november 2023 “(...) U geeft aan dat jullie is verteld dat [erflater] is overleden door een aanrijding met een trein zonder voertuig. Dit is voor het eerst dat ik dit hoor. Ik vraag u of zijn auto nog heel is. Ik vraag me ook af hoe dat kan want [erflater] was helemaal heel. (…) U geeft aan dat de Politie heeft verteld dat ik en de andere nabestaanden op de hoogte moeten zijn van wat er is gebeurd. Mij is slechts door de Politie telefonisch verteld dat het een noodlottig ongeval was. Voordat ik met u voor de eerste keer sprak, is mij gevraagd of er een Proces Verbaal is opgemaakt. Ik heb toen het algemene nummer van de Politie gebeld en kreeg toen een [A.] aan de telefoon. Zij vertelde dat er geen Proces Verbaal was. Ik had verder ook geen referentienummer van het ongeval van [erflater] , alleen zijn naam. Ik heb de politie hierover alleen gebeld omdat het vanuit de verzekering werd gevraagd. (...)” 2.12. Bij brief van 14 december 2023 heeft TAF namens iptiQ aan [eiser] laten weten dat er op grond van artikel 6.1 aanhef en sub c van de polisvoorwaarden (polisuitsluiting bij zelfdoding) geen recht is op een uitkering en dat zijn aanspraak op de verzekering daarom wordt afgewezen. Daarbij heeft TAF opgemerkt dat iptiQ een herbeoordeling van de beslissing enkel overweegt wanneer het politierapport wordt overgelegd dat is opgesteld na het overlijden van [erflater] . [eiser] heeft op 2 februari 2024 bezwaar gemaakt tegen de afwijzing van zijn claim. IptiQ heeft daarin geen aanleiding gezien haar standpunt te herzien. 2.13. [eiser] heeft iptiQ vervolgens gedagvaard. Daarop heeft iptiQ een incidentele vordering op grond van artikel 843a (oud) Rv ingediend, strekkende tot afgifte door [eiser] van een proces-verbaal of een ander politiestuk over het overlijden van [erflater] . De rechtbank heeft die vordering afgewezen. 2.14. De rechtbank heeft ook de vordering van iptiQ op grond van artikel 196 Rv, strekkende tot afgifte door de politie van opgemaakte gegevens naar aanleiding van het overlijden van [erflater] , afgewezen omdat er gewichtige redenen bestaan die zich verzetten tegen toewijzing van deze voorlopige bewijsverrichting. 3 Het geschil 3.1. [eiser] vordert - samengevat - dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: I. iptiQ veroordeelt tot het verlenen van dekking onder de polis alsmede tot het betalen aan [eiser] van een bedrag van € 249.000,- te vermeerderen met de wettelijke rente; II. iptiQ veroordeelt tot betaling aan [eiser] van een bedrag van € 3.030,- aan buitengerechtelijke kosten; III. iptiQ veroordeelt in de kosten van dit geding. 3.2. [eiser] legt aan zijn vordering, samengevat, het volgende ten grondslag. Met het overlijden van [erflater] heeft zich een verzekerde gebeurtenis voorgedaan. [eiser] heeft voldaan aan de in artikel 23.1 onder a tot en met d genoemde verplichtingen uit de polisvoorwaarden. Hij heeft de polis en de overlijdensakte overgelegd en een verzoek tot uitbetaling van de uitkering gedaan. Bovendien is volgens [eiser] bij TAF/iptiQ de doodsoorzaak van [erflater] bekend, te weten hoofdletsel als gevolg van een ongeval. Hiermee staat dus vast dat iptiQ op grond van de polisvoorwaarden gehouden is om dekking te verlenen en het verzekerd bedrag aan [eiser] uit te keren. [eiser] kan dan in staat worden gesteld de hypothecaire geldlening op de woning deels af te lossen. 3.3. IptiQ concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de werkelijke kosten van dit geding en de nakosten. IptiQ voert, samengevat, het volgende verweer. 3.3.1. IptiQ weigert uitkering, omdat geen recht op uitkering bestaat onder de bij haar afgesloten verzekering. Volgens iptiQ is [erflater] op 20 januari 2023 door zelfdoding om het leven gekomen. Overlijden als gevolg van zelfdoding is ingevolge artikel 6.1 aanhef en sub c van de polisvoorwaarden uitgesloten van dekking. IptiQ beroept zich ter onderbouwing van haar stelling dat sprake is van zelfdoding op de bevindingen van Sedgwick/TAF. Daarnaast baseert iptiQ zich op drie overgelegde WhatsApp-berichten die [eiser] aan de moeder van [erflater] heeft gestuurd. Verder wijst iptiQ op uitlatingen die de moeder van [erflater] op 31 december 2025, 8 en 9 januari 2026 telefonisch aan TAF/Sedgwick heeft gedaan. 3.3.2. Volgens iptiQ wist [eiser] dat [erflater] door zelfdoding is omgekomen, maar heeft hij in strijd met de waarheid verklaard over diens doodsoorzaak. [eiser] had de opzet iptiQ te misleiden om een uitkering onder de polis te verkrijgen waarop hij geen recht heeft. Op grond van artikel 7:941 lid 5 van het Burgerlijk Wetboek (BW) komt [eiser] daarom (ook) geen uitkering toe. 3.3.3. Het recht op uitkering vervalt bovendien doordat [eiser] de op hem rustende waarheidsplicht ingevolge artikel 21 Rv heeft geschonden. [eiser] heeft zijn vorderingen gebaseerd op feiten en omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen. [eiser] procedeert aldus onrechtmatig en moet de werkelijke proceskosten vergoeden, aldus iptiQ. 3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4 De beoordeling 4.1. De vraag die voorligt is of iptiQ gehouden is over te gaan tot uitkering onder bij de haar afgesloten verzekering. De rechtbank komt tot het oordeel dat dit niet zo is. Hieronder zal zij dit toelichten. De verplichtingen voor de uitbetaling van het verzekerd bedrag 4.2. [eiser] doet een beroep op artikel 23.1 van de polisvoorwaarden. Volgens [eiser] moet het verzekerd bedrag worden uitbetaald, omdat sprake is van een verzekerde gebeurtenis, namelijk een sterfgeval, en hij de in artikel 23.1 limitatief opgesomde informatie (de onder a tot en met d genoemde stukken) heeft verstrekt. Desondanks is iptiQ (via TAF/Sedgwick) een onderzoek naar de oorzaak en de omstandigheden van het overlijden van [erflater] gestart als ware artikel 23.1 onder e (ook) van toepassing, terwijl dat niet het geval is. IptiQ is buiten haar bevoegdheid getreden door meer en andere informatie van hem te verlangen dan in voornoemd artikel 23.1 is vastgelegd, aldus [eiser] . 4.3. De rechtbank volgt [eiser] dat artikel 23.1 onder e in dit geval toepassing mist, omdat hij geen aanspraak maakt op de daar genoemde extra uitkering bij overlijden. Het verzekerd bedrag wordt volgens artikel 23.1 echter pas uitbetaald nadat (1) de onder a t/m d genoemde stukken door iptiQ zijn ontvangen en (2) het recht op uitkering door haar is vastgesteld. Als aan de voorwaarde onder (1) is voldaan, betekent dat niet zonder meer dat iptiQ tot uitkering moet overgaan. Als daar aanleiding voor is mag zij zich beroepen op een uitsluitingsclausule en daarnaar onderzoek doen. Uit artikel 23.3 van de polisvoorwaarden volgt ook dat iptiQ aanvullende inlichtingen of bewijzen kan verlangen, als dit nodig is voor de vaststelling van het recht op uitkering. Het beroep op de uitsluitingsclausule voor zelfdoding 4.4. IptiQ doet een beroep op de uitsluitingsclausule voor zelfdoding, zoals opgenomen in artikel 6.1 aanhef en sub c van de polisvoorwaarden. Op iptiQ rust de stelplicht en bewijslast ten aanzien van de toepasselijkheid van deze clausule. IptiQ is namelijk degene die zich op de rechtsgevolgen van de uitsluiting beroept. 4.5. IptiQ stelt onder verwijzing naar de onderzoeksbevindingen van Sedgwick en TAF de volgende feiten en omstandigheden waaruit volgens haar de conclusie volgt dat van zelfdoding moet worden uitgegaan: • Uit online open bronnenonderzoek komt naar voren: 1) dat op 20 januari 2023 omstreeks 7:00 uur een aanrijding met een trein heeft plaatsgevonden bij de locatie Vught-Boxtel Vught waarbij geen voertuig was betrokken; 2) dat sprake was van “spoor letsel”; 3) dat de temperatuur rond het vriespunt lag en het zuiden van Nederland last had van sneeuwbuien; 4) dat op het Facebook account van [erflater] een vrouw de reactie “hopelijk heb je nu de rust gekregen die je zocht” heeft geplaatst; • De moeder van [erflater] (hierna ook genoemd: schoonmoeder) heeft in telefoongesprekken met TAF/Sedgwick op 31 december 2025, 8 en 9 januari 2026 de volgende uitlatingen gedaan, verkort weergegeven: - “Hij is voor de trein gesprongen; ik ben er achter nu ik de berichten aan het teruglezen ben, van drie jaar geleden; mijn zoon heeft twee dagen van tevoren bij zijn echtgenoot aangegeven dat hij klaar was met dit leven”; - “ [eiser] heeft mij verteld dat hij de machinist had gebeld, om te vragen waar [erflater] stond en die heeft toen bevestigd dat hij midden op het spoor stond; in mijn ogen kan dat niet, want hij was helemaal intact, alleen zijn schedel was gebroken”; - “Ik ben meerdere keren samen met [eiser] bij het spoor geweest”; - “Ik vroeg aan de politieagent aan de deur of het een ongeluk was en toen knikte hij gelijk nee; toen zei hij: “trein”; • Drie overlegde WhatsApp-berichten afkomstig van [eiser] wijzen erop dat sprake is van zelfdoding: 1) het WhatsApp-bericht van 21 januari 2023: 12:44 “Ik heb de afscheidsbrief van [erflater] gelezen” ( [eiser] aan schoonmoeder); 12:45 “Echt” (schoonmoeder); 12:45 “En ik zal zijn wensen met de begrafenisondernemer bespreken” ( [eiser] ); 2) het WhatsApp-bericht van 31 januari 2023: 18:15 (een door [eiser] aan schoonmoeder doorgestuurd bericht van [erflater] ) “ [eiser] ik ga weg. Ik wil niet meer. Op zolder ligt doosje van da lounghi, daar kijken. Jij bent mijn grote schat en zal je altijd blijven…I Will always love you en zal op je blijven wachten. Ik heb van alles zoveel met jou genoten. Jij was het voor mij. Bedankt voor de 8 jaar (..) was mijn eigen schuld en zeg maar tegen de rest dat ik op niemand kwaad ben”; 18:15 “Het was dus waar. Wat die stuurde. Ik ga kapot. Keek net de apps terug. Bah” ( [eiser] aan schoonmoeder); 18:16 “Ik wist het” (schoonmoeder); 3) het WhatsApp-bericht van 15 mei 2023: 14:02 “Ik ga vanavond naar het spoor waar [erflater] gesprongen is. Ga je mee?” ( [eiser] aan schoonmoeder); 14:03 “Jaaa dan ga ik mee” (schoonmoeder). Moeten de onderzoeksresultaten buiten beschouwing blijven? 4.6. [eiser] stelt dat de onderzoeksresultaten waarop iptiQ zich baseert buiten beschouwing moeten blijven. Volgens [eiser] heeft iptiQ ten onrechte een persoonlijk onderzoek in de zin van de Gedragscode Persoonlijk Onderzoek (hierna: GPO) van het Verbond van Verzekeraars ingesteld, althans daar opdracht toe gegeven aan Sedgwick. Niet voldaan is aan de voorwaarden om een dergelijk onderzoek in te stellen. IptiQ had ook de Facebookpagina van [erflater] niet mogen bekijken en zijn moeder niet mogen interviewen vanwege een onrechtmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer. Het interviewen van de moeder van [erflater] is verder in strijd met de privacyregels (de AVG en de Gedragscode Verwerking Persoonsgegevens Verzekeraars (hierna: GVPV)). Dit handelen in strijd met zowel de GPO als de GVPV leidt ertoe dat het bewijsmateriaal (de resultaten van het door Sedgwick opgeleverde rapport, de drie WhatsApp-berichten en de transcripties van de interviews met de moeder van [erflater] ) onrechtmatig verkregen is en in deze procedure niet gebruikt mag worden, aldus [eiser] . 4.7. IptiQ betwist dat sprake is van een onderzoek als bedoeld in de GPO, zeker wat betreft de informatiegaring via openbare bronnen zoals de openbaar toegankelijke Facebookpagina van [erflater] . Het inwinnen van informatie bij derden, met vrijwillige machtiging van [eiser] , was niet gericht op de persoon van [eiser] , maar op feiten en omstandigheden over de toedracht en het overlijden van [erflater] . De informatieverwerking vond plaats binnen het kader van onderzoek naar feiten en omstandigheden die relevant zijn voor de uitkeringsplicht van iptiQ. Het past ook bij een zorgvuldig feitenonderzoek om na de telefonische melding van de moeder van [erflater] bij TAF op 31 december 2025 en de verstrekking van de door haar gemelde WhatsApp-berichten Sedgwick in te schakelen. Sedgwick kon haar nader horen en de echtheid van de app-berichten verifiëren. Van privacyschending is geen sprake. Als wordt geoordeeld dat wel sprake is van een GPO-onderzoek, was daarvoor een rechtvaardigingsgrond. Het gaat om het achterhalen van de waarheid en andere manieren om de informatie te verkrijgen waren niet beschikbaar. [eiser] was om hem moverende redenen niet bereid om moeite te doen inzage te krijgen in politiegegevens rondom het overlijden van [erflater] . De onderzoeksresultaten kunnen meewerken aan het bewijs van haar stellingen, aldus iptiQ. GPO 4.8. De rechtbank stelt voorop dat, hoewel de GPO per 1 januari 2024 door het Verbond van Verzekeraars is ingetrokken, deze nog wel een rol speelt in deze zaak omdat de onderzoeken door iptiQ in 2023 plaatsvonden. IptiQ heeft niet gemotiveerd betwist dat zij op dat moment gebonden was aan de zelfregulering van het Verbond van Verzekeraars. De GPO onderscheidt twee soorten onderzoek: het feitenonderzoek en het persoonlijk onderzoek. Het feitenonderzoek is het onderzoek dat wordt ingesteld naar de feiten, omstandigheden en gedragingen van de betrokkene die nodig zijn voor de beoordeling van onder andere een aanspraak op uitkering. Het persoonlijk onderzoek is het onderzoek volgend op een feitenonderzoek, naar gedragingen van betrokkene waarbij bijzondere onderzoeksmethoden en of bijzondere onderzoeksmiddelen worden gebruikt, dat inbreuk maakt of kan maken op de persoonlijke levenssfeer van betrokkene. Of de verzekeraar volgens de GPO de mogelijkheid heeft een persoonlijk onderzoek in te stellen, is afhankelijk van de uitkomsten van het feitenonderzoek. Is sprake van een persoonlijk onderzoek in de zin van GPO? 4.9. De rechtbank stelt vast dat iptiQ na ontvangst van de door [eiser] ingevulde vragenlijst met betrekking tot het overlijden van [erflater] feitenonderzoek heeft verricht in de vorm van een open online bronnenonderzoek. IptiQ heeft op internet (nieuws)websites geraadpleegd en de openbaar toegankelijke Facebookpagina van [erflater] , met reacties op zijn overlijden, bekeken. Die werkzaamheden kwalificeren niet als een persoonlijk onderzoek in de zin van de GPO en mochten door iptiQ, gelet op de beoordeling van het waarheidsgehalte van de ingevulde vragenlijst en de noodzakelijke informatievergaring voor de uitkeringsplicht, worden verricht. Dat iptiQ op dit punt in strijd met de AVG en GVPV heeft gehandeld, zoals [eiser] stelt, volgt de rechtbank niet. Het recht op privacybescherming eindigt met het overlijden van de betrokkene. [eiser] kan als nabestaande de privacyrechten van [erflater] niet uitoefenen. 4.10. IptiQ heeft in de conclusie van antwoord naar voren gebracht dat er na dit feitenonderzoek vermoedens waren dat sprake was van zelfdoding. Daarbij heeft iptiQ betrokken dat [erflater] in het verleden kampte met een depressie, zoals door hem werd opgegeven bij aanvang van de verzekering. IptiQ besloot daarom een toedrachtsonderzoek door Sedgwick te laten uitvoeren naar de oorzaak van het overlijden van [erflater] en dat aan [eiser] te communiceren. De rechtbank kwalificeert dit wél als een persoonlijk onderzoek in de zin van de GPO. Zij licht dit hierna toe. 4.11. Op grond van artikel 1.1 van de GPO kan een persoonlijk onderzoek worden ingesteld nadat het feitenonderzoek geen of onvoldoende uitsluitsel geeft voor het nemen van een beslissing bij (onder meer) een aanspraak op uitkering. Die situatie deed zich hier voor. De stelling van [eiser] dat iptiQ over voldoende informatie beschikte om tot uitkering te beslissen na ontvangst van de in de polisvoorwaarden genoemde stukken (artikel 23.1 onder a tot en met d) en dat zij daarom geen opdracht had mogen geven om een persoonlijk onderzoek te starten volgt de rechtbank niet. Zoals hiervoor is overwogen kan een verzekeraar aanvullend onderzoek doen als dit nodig is voor de vaststelling van het recht op uitkering. Uit het feitenonderzoek kwam naar voren dat [erflater] om het leven was gekomen door een aanrijding met een trein, waarbij geen ander voertuig was betrokken. In combinatie met het aangetroffen bericht op de Facebookpagina van [erflater] dat hij nu de rust heeft gevonden die hij zocht en de melding bij de verzekeringsaanvraag van eerdere depressieve klachten, kon dit bij iptiQ het vermoeden oproepen dat sprake was van zelfdoding, in welk geval er geen recht op uitkering is. Omdat de resultaten van het feitenonderzoek nog onvoldoende uitsluitsel geven over de vraag of inderdaad sprake was van zelfdoding, mocht iptiQ na het feitenonderzoek een persoonlijk onderzoek instellen om te kunnen vaststellen of [eiser] aanspraak kan maken op uitkering. In opdracht van iptiQ heeft Sedgwick betrokkenen vervolgens geïnterviewd en informatie ingewonnen bij diverse derden, zoals [eiser] , de ouders van [erflater] , de politie (wijkagent en privacydesk), het Openbaar Ministerie en de leasemaatschappij van de auto waarin [erflater] reed. In artikel 7 van de GPO worden deze handelingen als onderzoeksmethoden van een persoonlijk onderzoek gekwalificeerd. 4.12. Het onderzoek van Sedgwick was weliswaar gericht op feiten en omstandigheden betreffende het overlijden van [erflater] en niet op [eiser] , zoals iptiQ terecht aanvoert, maar dat maakt niet dat het geen persoonlijk onderzoek betrof. Het gaat met genoemde handelingen niet (meer) uitsluitend om het vaststellen van feiten, maar om een onderzoek naar gedragingen van verzekerden. Het onderzoek gaat ook [eiser] aan als verzekeringnemer én verzekerde, die in een contractuele relatie staat tot iptiQ en aanspraak maakt op uitkering. De door iptiQ te nemen beslissing daarover kan niet los worden gezien van de uitkomsten van het onderzoek waarbij de gebruikte onderzoeksmethoden inbreuk hebben gemaakt, of inbreuk hebben kunnen gemaakt, op de persoonlijke levenssfeer van de verzekerden. 4.13. Een dergelijke inbreuk is in beginsel onrechtmatig, maar de aanwezigheid van een rechtvaardigingsgrond kan aan een inbreuk het onrechtmatige karakter ontnemen. Of een dergelijke rechtvaardigingsgrond zich voordoet, kan slechts worden beoordeeld in het licht van de omstandigheden van het geval, door tegen elkaar af te wegen enerzijds de ernst van de inbreuk op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en anderzijds de belangen die met de inbreuk makende handelingen redelijkerwijs kunnen worden gediend. In dit geval gaat het om een afweging van het belang van [eiser] bij eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer tegenover het belang van iptiQ bij het onderzoeken van het recht op een verzekeringsuitkering. Met de GPO heeft het Verbond van Verzekeraars beoogd invulling te geven aan de hiervoor genoemde belangenafweging, met name door het opnemen van de verplichting voor verzekeraars tot het in acht nemen van de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit. Gelet op de inhoud en de opzet van de GPO kan volgens vaste rechtspraak tot uitgangspunt worden genomen dat indien een verzekeraar in strijd met de GPO handelt, sprake is van een ongerechtvaardigde en dus onrechtmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de verzekerden. Schending van de regels van de GPO en/of de privacyregels? 4.14. De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat Sedgwick bij de totstandkoming van haar (eind)rapport in strijd met de GPO heeft gehandeld. Het bevragen van [eiser] en het inwinnen van informatie bij derden – dat geen vergaand opsporingsmiddel is – vindt de rechtbank proportionele maatregelen om – gelet op de uitkomst van het feitenonderzoek – te onderzoeken of [erflater] door zelfdoding om het leven was gekomen en daarmee of iptiQ verplicht is tot uitkering over te gaan. Ook laten zich geen andere minder ingrijpende middelen bedenken. [eiser] heeft bovendien vrijwillig aan het onderzoek van Sedgwick meegewerkt en machtigingen aan Sedgwick verstrekt om informatie te verkrijgen bij verschillende (door [eiser] bepaalde) derden. Daarom is er geen strijd met de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit. Deze twee beginselen zijn de belangrijkste voorwaarden uit de GPO, die dus niet geschonden zijn. Gelet op het belang van iptiQ om haar uitkeringsplicht te onderzoeken, afgezet tegen de beperkte inbreuk op de privacy van [eiser] , was er naar het oordeel van de rechtbank een rechtvaardigingsgrond die het onrechtmatige karakter van de met het persoonlijk onderzoek gepaard gaande inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van [eiser] wegneemt. Dit betekent dat het uit het (eind)rapport van Sedgwick verkregen bewijs niet onrechtmatig is en mag worden meegewogen. 4.15. De rechtbank volgt [eiser] evenmin in zijn stelling dat de transcripties van de (naderhand nog gehouden) interviews met de moeder van [erflater] en de drie overgelegde WhatsApp-berichten (zie 4.5) buiten beschouwing moeten blijven. Het stond iptiQ vrij om via TAF/Sedgwick onderzoek te doen naar het waarheidsgehalte van de - voor de uitkeringsplicht relevante - uitlatingen die de moeder van [erflater] op eigen initiatief op 31 december 2025 aan TAF heeft gedaan. Het interviewen van haar en het nagaan van de authenticiteit van de door haar gemelde WhatsApp-berichten afkomstig van [eiser] leveren, anders dan [eiser] stelt, geen strijd met de GPO op, reeds omdat de GPO op dat moment niet meer van toepassing was. Dat neemt niet weg dat bij deze persoonsgerichte onderzoeken waarborgen gelden, zoals deze zijn neergelegd in de AVG. Uit artikel 5 AVG volgt dat persoonsgegevens moeten worden verwerkt op een wijze die ten aanzien van de betrokkene rechtmatig, behoorlijk en transparant is. In artikel 6 lid 1 AVG is bepaald dat de verwerking alleen rechtmatig is als een van de in deze bepaling genoemde voorwaarden is voldaan. Naar het oordeel van de rechtbank is voldaan aan voorwaarde f) die als volgt luidt: “de verwerking is noodzakelijk voor de behartiging van de gerechtvaardigde belangen van de verwerkingsverantwoordelijke of een derde, behalve wanneer de belangen of grondrechten en de fundamentele vrijheden van de betrokkene die tot bescherming van persoonsgegevens nopen, zwaarder wegen dan die belangen, net name wanneer de betrokkene een kind is.” De rechtbank licht dit oordeel hierna verder toe. 4.16. Vast staat dat de moeder van [erflater] zich bij TAF had gemeld met informatie dat [erflater] zichzelf van het leven zou hebben beroofd. IptiQ had daarom een gerechtvaardigd belang om nader onderzoek te doen naar deze informatie om haar uitkeringsplicht vast te kunnen stellen. Dit onderzoek heeft eruit bestaan dat iptiQ Sedgwick de moeder van [erflater] heeft laten interviewen en dat drie door de moeder van [erflater] beschikbaar gestelde WhatsApp-berichten tussen haar en [eiser] over (het overlijden van) [erflater] zijn bekeken en op authenticiteit onderzocht. In deze berichten en verklaringen gaat het ook over (het persoonlijk leven van) [eiser] , zodat daarmee zijn persoonsgegevens zijn verwerkt. Niet valt in te zien dat er een minder vergaande manier was om nader onderzoek te doen naar de verklaring van de moeder van [erflater] en de beschikbaar gestelde berichten. Het doel van de verwerking van persoonsgegevens van [eiser] staat in de gegeven omstandigheden ook in redelijke verhouding tot de inbreuk op de privacy van [eiser] die dit meebrengt. Het belang van [eiser] bij eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer weegt dan ook niet zwaarder dan het belang dat iptiQ had om het hiervoor bedoelde nadere onderzoek te doen en zijn persoonsgegevens daarbij te verwerken. 4.17. [eiser] voert nog aan dat iptiQ in strijd met artikel 6 GVPV heeft nagelaten hem te informeren over de verwerking van de persoonsgegevens. Niet in geschil is dat iptiQ [eiser] pas bij de akte die zij kort voor de zitting van 20 januari 2026 heeft ingediend, volledig heeft geïnformeerd over het feit dat de moeder van [erflater] zich tot TAF had gewend met informatie en over het daarop volgende nadere onderzoek naar die informatie. De rechtbank constateert dat in artikel 6.1.1. GVPV is bepaald dat de verzekeraar de betrokkene bij het verzamelen van persoonsgegevens via andere kanalen of uit andere bronnen dan direct van de betrokkene, binnen een maand na de verzameling ervan moet informeren. Die maand was ten tijde van de zitting in deze zaak nog niet verstreken. Bovendien heeft [eiser] niet gesteld in welk belang hij is geschaad doordat iptiQ hem niet eerder of op andere wijze had geïnformeerd. 4.18. De resultaten van het nadere onderzoek dat iptiQ heeft laten uitvoeren kunnen dus ook worden meegewogen bij de beoordeling van de zaak. Voor zover over het voorgaande al anders zou moeten worden geoordeeld en de transcripties van de interviews met de moeder van [erflater] en de app-berichten als onrechtmatig verkregen bewijs zouden moeten worden aangemerkt, betekent dat overigens nog niet per definitie dat dit bewijs ook terzijde moet worden gelegd. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad wegen in beginsel het algemene maatschappelijke belang dat de waarheid in rechte aan het licht komt, alsmede het belang dat partijen erbij hebben hun stellingen in rechte aannemelijk te kunnen maken, welke belangen mede aan artikel 152 Rv ten grondslag liggen, zwaarder dan het belang van uitsluiting van bewijs. Slechts indien sprake is van bijkomende omstandigheden is de terzijdelegging van dit bewijs gerechtvaardigd. 4.19. Die bijkomende omstandigheden doen zich in dit geval niet voor. IptiQ heeft het belang van waarheidsvinding en het belang dat zij heeft om in rechte haar stellingen aannemelijk te maken voldoende gesteld. Onweersproken staat vast dat andere manieren om de informatie te verkrijgen niet beschikbaar waren. Vanuit de politie werden er geen aanvullende bescheiden verstrekt in de vorm van een opgemaakt proces-verbaal of mutatie naar aanleiding van het overlijden van [erflater] . Gelet op de (in omvang en ingrijpendheid beperkte) inbreuk die is gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [eiser] mogen de transcripties van de interviews met de moeder van [erflater] en de WhatsApp-berichten dan ook in deze procedure gebruikt worden. Daarbij merkt de rechtbank wel op dat zij met behoedzaamheid kijkt naar de verklaringen van de moeder van [erflater] , nu gebleken is dat de verstandhouding tussen haar en [eiser] behoorlijk is verslechterd en zij zich mogelijk uit rancune tot TAF heeft gewend. Feiten en omstandigheden betreffende het overlijden van [erflater] 4.20. De rechtbank komt tot het oordeel dat iptiQ voldoende feiten en omstandigheden heeft gesteld, in onderling verband en samenhang bezien, waaruit volgt dat het overlijden van [erflater] het gevolg was van zelfdoding in de zin van de polisvoorwaarden, waarbij opzet geen vereiste is. Daartoe is het volgende redengevend. 4.21. Op basis van de beschikbare informatie kan worden vastgesteld dat [erflater] vroeg in ochtend van 20 januari 2023, rond 7:00 uur, na een aanrijding met een trein is overleden. Er was geen sprake van een natuurlijk overlijden. [eiser] heeft ter zitting verklaard dat [erflater] die dag normaal gesproken naar zijn werk in Den Haag zou gaan. Het incident heeft plaatsgevonden in [plaats] en vanuit hun woonplaats in [woonplaats] (net boven Tilburg) ligt dat niet op de route naar Den Haag, maar de andere kant op (tussen Tilburg en Den Bosch). [erflater] was ook niet in zijn auto tijdens de aanrijding met de trein. [eiser] heeft verklaard dat [erflater] vóór zijn werk wel eens ging wandelen om zijn hoofd leeg te maken, maar dat hij dat op 20 januari 2023 ook heeft gedaan vindt de rechtbank niet aannemelijk gezien het vroege tijdstip - het was nog donker - en de kou, sneeuwval en gladheid die ochtend. Ook ligt het niet voor de hand dat [erflater] dan in [plaats] zou gaan wandelen, terwijl hij daarna nog naar zijn werk in Den Haag moest. Op de zitting en in zijn akte van 18 maart 2026 voert [eiser] voor het eerst aan dat het hoofdletsel van [erflater] kan zijn ontstaan na een ongelukkige valpartij op of rondom de spoorbaan. Aan die ongefundeerde veronderstelling gaat de rechtbank, in het licht van het navolgende, voorbij. 4.22. De moeder van [erflater] heeft aan TAF/Sedgwick verklaard dat [erflater] voor de trein is gesprongen en dat hij twee dagen ervoor bij [eiser] heeft aangegeven dat hij klaar was met dit leven. De moeder van [erflater] heeft in dat verband gewezen op een door [eiser] op 31 januari 2023 aan haar doorgestuurd app-bericht van [erflater] . In dat bericht van 18 januari 2023 meldt [erflater] weg te willen en geeft hij [eiser] aanwijzingen waar hij moet kijken (zie 4.5). Het kan zo zijn geweest, zoals [eiser] ter zitting heeft verklaard, dat [erflater] met dit bericht slechts aandacht zocht na een fikse ruzie - de relatie ging vaker met de nodige dramatiek gepaard - en dat de situatie tussen hen kort daarna weer goed en rustig was, maar dat maakt niet dat de rechtbank aan dit bericht geen waarde toekent, mede bezien in het licht van de andere overgelegde app-berichten. Daaruit blijkt namelijk dat [eiser] bij het doorgestuurde bericht van [erflater] heeft aangegeven dat ‘het dus waar was, wat hij stuurde’ waarop zijn schoonmoeder reageerde dat zij het wist. 4.23. Verder blijkt uit de app-berichten dat [eiser] de dag na het overlijden van [erflater] aan zijn schoonmoeder heeft gestuurd dat hij de afscheidsbrief van [erflater] heeft gelezen. [eiser] voert nu aan dat dit geen afscheidsbrief van [erflater] aan hem was, maar een oude afscheidsbrief die dateerde uit eind jaren ’90 en die zag op de relatie tussen [erflater] en zijn ouders. Deze verklaring kan de rechtbank echter niet volgen, omdat het in de berichten kort daarvoor gaat over bellen naar het mortuarium en het ophalen van [erflater] , en in de berichten direct erna over het bespreken van de wensen van [erflater] met de begrafenisondernemer. In die berichtenwisseling past niet dat [eiser] ineens melding maakt van een afscheidsbrief uit de jaren ’90 zoals hiervoor genoemd. [eiser] heeft die vermeende afscheidsbrief ook niet in het geding gebracht. In de context van de berichten die [eiser] en de moeder van [erflater] aan elkaar hebben gestuurd, kan het niet anders dan dat [eiser] in het app-bericht doelde op een afscheidsbrief in verband met het overlijden van [erflater] . Dit sluit aan bij het app-bericht van 15 mei 2023, waarin [eiser] aan zijn schoonmoeder vraagt of zij meegaat naar het spoor waar [erflater] gesprongen is. Dat dit bericht niet berust op de waarheid maar zwarte humor van [eiser] is, zoals hij stelt, is op geen enkele wijze aannemelijk geworden. Na de reactie van zijn schoonmoeder reageert [eiser] juist serieus hoe laat hij haar zal ophalen. Conclusie 4.24. Kortom, hoewel er geen camerabeelden zijn of getuigen die hebben gezien hoe [erflater] op 20 januari 2023 om het leven is gekomen, vindt de rechtbank in de hierboven weergegeven feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, voldoende steun voor de stelling van iptiQ dat zijn overlijden het gevolg is van zelfdoding. Het verweer van [eiser] daartegen verwerpt de rechtbank als onvoldoende gemotiveerd. De rechtbank komt daarom niet toe aan bewijslevering. 4.25. Dit betekent dat iptiQ op grond van artikel 6.1 aanhef en sub c van de polisvoorwaarden aan [eiser] geen uitkering is verschuldigd, nu de zelfdoding binnen twee jaar na de ingangsdatum van de verzekering heeft plaatsgevonden. [eiser] heeft geen bijzondere omstandigheden aangevoerd die het oordeel rechtvaardigen dat het weigeren van iptiQ van een vergoeding die buiten de verzekeringsdekking valt in dit geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. 4.26. Het voorgaande leidt ertoe dat de vorderingen van [eiser] zullen worden afgewezen. De overige verweren van iptiQ op grond waarvan [eiser] geen uitkering toekomt, behoeven geen bespreking meer. Proceskosten 4.27. [eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. 4.28. IptiQ voert aan dat [eiser] de werkelijke proceskosten moet vergoeden die zij vanwege zijn onterechte aanspraken heeft moeten maken, zijnde een totaalbedrag van € 16.621,28 inclusief griffierecht. IptiQ verwijst ter staving van haar vordering naar vier overgelegde declaraties van haar advocaat. 4.29. Een vordering tot vergoeding van de werkelijke advocaatkosten is alleen in ‘buitengewone omstandigheden’ toewijsbaar, zoals in geval van misbruik van procesrecht of onrechtmatige daad. Daarvan is sprake als het instellen van de vordering, gelet op de evidente ongegrondheid ervan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had behoren te blijven. Hiervan kan pas sprake zijn als eiser zijn vordering baseert op feiten en omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen of op stellingen waarvan hij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden. Bij het aannemen van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen door het aanspannen van een procedure past terughoudendheid, gelet op het recht op toegang tot de rechter dat mede gewaarborgd wordt door artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. 4.30. Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden gezegd dat de ingestelde vordering van [eiser] kwalificeert als misbruik van procesrecht of tot een onrechtmatige daad jegens iptiQ leidt. [eiser] heeft weliswaar niet altijd consistent verklaard, maar dat hij bewust onjuist heeft verklaard over de doodsoorzaak van [erflater] met de opzet iptiQ te misleiden om een uitkering onder de polis te verkrijgen, is niet komen vast te staan. [eiser] heeft iptiQ niet op onheuse gronden in rechte betrokken. Er zijn daarom geen buitengewone omstandigheden die een volledige vergoedingsplicht van de proceskosten rechtvaardigen. De rechtbank zal een forfaitaire vergoeding toewijzen op basis van het liquidatietarief. 4.31. De proceskosten van iptiQ worden begroot op: - griffierecht € 6.617,00 - salaris advocaat € 7.212,50 (2,5 punt × € 2.885,00) - nakosten € 189,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 14.018,50 5 De beslissing De rechtbank 5.1. wijst de vorderingen van [eiser] af, 5.2. veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 14.018,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, 5.3. verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. N. Boots en in het openbaar uitgesproken op 5 augustus 2026. ST/NB vonnis van 9 april 2025, ECLI:NL:RBNHO:2025:3921. beschikking van 10 november 2025, ECLI:NL:RBNHO:2025:13692. zie o.a. HR 18 april 2014, ECLI:NL:HR: 2014:942 en gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 9 februari 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:1004. Vgl. de Conclusie van A-G Hartlief van 13 februari 2026, ECLI:NL:PHR:2026:172. HR 31 mei 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD9609, en 18 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:942. HR 29 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA3516.

Similar Content