Skip to content
Case Law · Hoge Raad ·ECLI:NL:HR:2026:1340 NL LLM context A cited markdown file you can paste into your AI assistant (ChatGPT, Claude, a RAG or project knowledge base) to ground it in this document. Contains: this document’s text, its sections with their topics, and the full text of every law provision it applies. Everything links back to its source on overview.legal — legal information, not advice.

Hoge Raad, 07-08-2026 (24/03206)

Hoge Raad
Summary

Inkomstenbelasting; art. 7.2, lid 2, letter b, en lid 7, Wet IB 2001 (tekst 2016); art. 8:29 Awb; vertrouwensbeginsel; uitdrukkelijke standpuntbepaling inzake fiscale woonplaats tijdens bezwaar- en aanslagfase; ruling; gelijkheidsbeginsel; salary split medebestuurders.

How it connects

Full text

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN BELASTINGKAMER Nummer 24/03206 Datum 7 augustus 2026 ARREST in de zaak van [X] (hierna: belanghebbende) tegen de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 10 juli 2024, nr. 22/1088 , op het hoger beroep van de Inspecteur tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nr. BRE 20/9740) betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2016 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en de daarbij gegeven beschikking inzake belastingrente. 1 Geding in cassatie 1.1 Belanghebbende, vertegenwoordigd door N. Idsinga, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P] , heeft een verweerschrift ingediend. Namens partijen is de zaak mondeling toegelicht, voor belanghebbende door M.B. Weijers, advocaat te Amsterdam, en voor de Staatssecretaris door W.I. Wisman en L.J. Overwater, advocaten te Den Haag. 1.2 De Inspecteur heeft zich wat betreft bepaalde op de zaak betrekking hebbende stukken beroepen op gewichtige redenen in de zin van artikel 8:29, lid 1, Awb die meebrengen dat uitsluitend de rechter kennis zal mogen nemen van die stukken. Het Hof heeft kennelijk beslist dat beperkte kennisneming gerechtvaardigd is en heeft deze stukken met toestemming van belanghebbende in zijn beoordeling betrokken (artikel 8:29, leden 3 en 5, Awb). 1.3 In cassatie heeft ook de Staatssecretaris voor deze stukken een beroep op beperkte kennisneming gedaan. Belanghebbende heeft bij voorbaat ingestemd met beperkte kennisneming van deze stukken door de Hoge Raad. 1.4 De Hoge Raad is van oordeel dat beperking van de kennisneming van de stukken gerechtvaardigd is vanwege het belang van de privacy van derden. Dat belang bij de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer weegt zwaarder dan het belang dat belanghebbende heeft bij kennisneming van deze stukken. De Hoge Raad doet mede op grondslag van die stukken uitspraak. 1.5 De Advocaat-Generaal R.J. Koopman heeft op 25 april 2025 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie. Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd. 2 Uitgangspunten in cassatie 2.1 Belanghebbende heeft de Nederlandse nationaliteit. In 2009 is hij gescheiden. Uit het huwelijk met zijn voormalige echtgenote zijn vier kinderen geboren. Alle vier de kinderen wonen in Nederland. 2.2 Vanaf 2006 heeft belanghebbende een affectieve relatie met [C] . Zij heeft de Australische nationaliteit. Zij was destijds eigenaar van een woning in Den Haag (hierna: de Haagse woning). In 2007 zijn belanghebbende en [C] in de Haagse woning gaan wonen. In 2013 zijn belanghebbende en [C] (hierna: de echtgenote) in gemeenschap van goederen getrouwd. 2.3 Op 27 juni 2012 is belanghebbende benoemd als lid van de raad van bestuur van [B] N.V. (hierna: de vennootschap). De vennootschap is statutair gevestigd in Nederland. Zij was vanaf de jaren zestig van de vorige eeuw tot in 2015 feitelijk gevestigd in Monaco. Een van de kleindochtervennootschappen van de vennootschap was [A] S.A.M. (hierna: de kleindochtervennootschap). De kleindochtervennootschap was gevestigd in Monaco. 2.4 Belanghebbende heeft op 28 juni 2012 een arbeidsovereenkomst gesloten met de kleindochtervennootschap. 2.5 Op 2 juli 2012 heeft hij een managementovereenkomst gesloten met de vennootschap. In deze overeenkomst staat onder meer: “At the moment of entering into this Agreement, it is envisaged that [belanghebbende] will spend approximately 80% (eighty percent) of a full time work week on work for [de kleindochtervennootschap] and group companies of [de vennootschap]. As per the date of this Agreement, [belanghebbende] will spend approximately 20% (twenty percent) of a full time work week on the duties assigned to him as managing director ( bestuurder ) of [de vennootschap]. [Belanghebbende] will ensure that on an annual average he spends a substantial part of the aforementioned 20% (twenty percent) working time for [de vennootschap] in The Netherlands.” 2.6 Belanghebbende heeft medio 2012 een appartement in Monaco gehuurd. De echtgenote is in december 2012 verhuisd naar dit appartement. De echtgenote heeft de Haagse woning op 10 december 2012 gestoffeerd verhuurd voor de periode van 6 februari 2013 tot 31 januari 2017. De huurder heeft de huurovereenkomst opgezegd per 1 december 2014. Daarna is de Haagse woning te huur aangeboden, maar niet meer verhuurd. 2.7 Medio 2015 is besloten het hoofdkantoor van de vennootschap te verplaatsen van Monaco naar Nederland. In het najaar van 2015 is het hoofdkantoor in Nederland in gebruik genomen. In verband met de voorgenomen verplaatsing heeft in 2014 tussen de vennootschap en de Belastingdienst vooroverleg plaatsgevonden. Naar aanleiding daarvan is een ruling gegeven (hierna: de ruling). Onder verwijzing naar de ruling hebben belanghebbende en de vennootschap op 21 december 2016 een brief aan de Inspecteur geschreven over de gevolgen die een verhuizing van belanghebbende naar Nederland heeft voor de belastingheffing over de aan hem toegekende Restricted Share Units (hierna: RSU’s; zie hierna in 2.11). 2.8 Belanghebbende is in april 2016 voor een tweede termijn benoemd als Chief Financial Officer van de vennootschap. In dat kader hebben belanghebbende en de vennootschap per 18 april 2016 een arbeidsovereenkomst gesloten. De arbeidsovereenkomst met de kleindochtervennootschap is gelijktijdig ontbonden. 2.9 In de periode van 1 januari 2016 tot en met 17 april 2016 (hierna: de eerste periode) verbleef belanghebbende 48 dagen in Nederland, waarvan 13 dagen samen met zijn echtgenote. In die periode verbleef belanghebbende 44 dagen in Monaco. De echtgenote heeft in april 2016 een vakantiewoning in Australië betrokken. 2.10 Belanghebbende is in 2017 met pensioen gegaan en is toen naar Australië verhuisd. De Haagse woning is in 2019 verkocht. Belanghebbende heeft in 2020 de Australische nationaliteit gekregen. In de Basisregistratie Personen (hierna: de BRP) is geregistreerd dat belanghebbende is ingeschreven op het adres van de Haagse woning van 14 november 2007 tot 1 juli 2012 en van 18 april 2016 tot 18 mei 2017. In de BRP is verder geregistreerd dat belanghebbende van 1 juli 2012 tot en met 17 april 2016 is ingeschreven op een adres in Monaco. 2.11 Belanghebbende heeft in 2016 een loon van de vennootschap en de kleindochtervennootschap ontvangen van in totaal € 2.290.152, in de vorm van salaris, cash bonus en RSU’s. Belanghebbende heeft de in 2016 ontvangen cash bonus en RSU’s volledig genoten in de eerste periode. Alle bestanddelen van het loon die belanghebbende in de eerste periode heeft genoten, zijn voor 20 procent verloond door de vennootschap en voor 80 procent door de kleindochtervennootschap. In de periode van 18 april 2016 tot en met 31 december 2016 (hierna: de tweede periode) heeft de kleindochtervennootschap geen loon meer verstrekt aan belanghebbende. 2.12 Bij het doen van de aangifte voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: de IB/PVV) voor het jaar 2016 (hierna: de aangifte) is belanghebbende uitgegaan van binnenlandse belastingplicht vanaf 18 april 2016. Verder heeft belanghebbende in die aangifte onderscheid gemaakt tussen de inkomsten die toerekenbaar zijn aan zijn werkzaamheden voor de vennootschap, en de inkomsten die toerekenbaar zijn aan zijn werkzaamheden voor de kleindochtervennootschap. De laatstbedoelde inkomsten heeft hij in de aangifte niet tot zijn belastbare inkomen uit werk en woning gerekend. 2.13 In een brief van de Inspecteur van 21 februari 2019, waarin hij de gemachtigde van belanghebbende bericht voornemens te zijn van de aangifte af te wijken, staat onder meer: “De intentie van [belanghebbende] in 2016 [is] niet geweest zich blijvend in Nederland te vestigen maar bij zijn echtgenote in Australië. (…) Op basis van de bovengenoemde feiten en omstandigheden ben ik van mening dat de fiscale woonplaats van [belanghebbende] is gelegen in de plaats waarmee hij een duurzame band van persoonlijke aard heeft. In dit geval is dat bij zijn echtgenote in Monaco en Australië en niet in Nederland.” 2.14 Bij het vaststellen van de aanslag in de IB/PVV voor het jaar 2016 is de Inspecteur ervan uitgegaan dat belanghebbende het gehele jaar 2016 buiten Nederland woonde. De Inspecteur is daarom in zoverre van de aangifte afgeweken dat hij geen rekening heeft gehouden met de in aftrek gebrachte kosten met betrekking tot de eigen woning en de persoonsgebonden aftrek. 2.15 De Inspecteur heeft in een brief van 6 december 2019 – in de bezwaarfase – aan de gemachtigde van belanghebbende geschreven: “Voor zover mij bekend heeft uw cliënt de cash bonus van [de vennootschap] in maart [2016] ontvangen, gedurende de periode dat hij woonachtig was in Monaco.” 2.16 In de uitspraak op bezwaar van 20 oktober 2020 is de Inspecteur ervan uitgegaan dat belanghebbende vanaf 18 april 2016 in Nederland woonde. Hij heeft de hiervoor in 2.14 bedoelde aftrekposten daarom alsnog aanvaard. Verder heeft de Inspecteur bij wege van interne compensatie ook de in de aangifte aan werkzaamheden voor de kleindochtervennootschap toegerekende arbeidsinkomsten van belanghebbende (zie hiervoor in 2.12) tot het belastbare inkomen uit werk en woning in Nederland gerekend. Ook die inkomsten moeten namelijk volgens de Inspecteur worden aangemerkt als een beloning voor belanghebbendes werkzaamheden als bestuurder van de vennootschap, en zijn daarom in Nederland belastbaar op grond van artikel 7.2, lid 7, Wet IB 2001 (tekst 2016). 2.17 In de uitspraak op bezwaar is onder meer vermeld: “Mijn standpunt blijft dat uw cliënt zijn werkzaamheden uitvoerde vanuit zijn functie als bestuurder van [de vennootschap]. (...) Daardoor vallen de werkzaamheden onder de werking van art. 7.2 lid 7 zoals dat destijds gold. (...) In casu is geen sprake van een verdrag ter voorkoming van dubbele belasting en gaat het enkel om de uitleg van nationale wetgeving. (...) Wel ben ik van mening dat uw cliënt vanaf 18 april 2016 aangemerkt moet worden als fiscaal inwoner van Nederland.” 3 De oordelen van het Hof 3.1 Voor het Hof was in geschil of belanghebbende in de eerste periode inwoner was van Nederland. De Inspecteur stelde zich voor het Hof nader op het standpunt dat belanghebbende in die periode in Nederland woonde. Het Hof heeft aannemelijk geacht dat belanghebbende in die periode een duurzame band van persoonlijke aard had met Nederland. Belanghebbende woonde in die periode daarom naar nationaal recht in Nederland. 3.2 Het Hof heeft verder niet aannemelijk geacht dat de Inspecteur tijdens de aanslag- en bezwaarfase het vertrouwen heeft gewekt dat hij van mening was dat belanghebbende in de eerste periode niet als inwoner van Nederland was aan te merken. Daarbij heeft het Hof in aanmerking genomen dat belanghebbende deze stelling pas in hoger beroep voor het eerst heeft aangevoerd ter zitting van het Hof. Weliswaar heeft belanghebbende ook al in beroep zijn ongenoegen erover geuit dat de Inspecteur wisselende standpunten heeft ingenomen met betrekking tot zijn woonplaats, maar hij heeft toen nimmer gesteld dat enig standpunt van de Inspecteur vertrouwen bij hem had gewekt dat hij in de eerste periode in Monaco, althans niet in Nederland woonde. Het Hof heeft uit het verweerschrift in hoger beroep van belanghebbende eerder het tegendeel afgeleid, namelijk dat ook volgens belanghebbende het onderzoek en het standpunt van de Inspecteur tijdens de aanslag- en bezwaarfase uitsluitend betrekking hadden op de tweede periode. 3.3 Verder heeft het Hof geoordeeld dat belanghebbende de in 2016 toegekende RSU’s volledig heeft genoten in de eerste periode. Het Hof heeft vervolgens geoordeeld dat belanghebbende de ruling en de brief van 21 december 2016 redelijkerwijs niet zo heeft mogen begrijpen dat de RSU’s die belanghebbende al heeft genoten voordat hij een beroep deed op de ruling, niet in de belastingheffing in Nederland zouden worden betrokken. Volgens het Hof gaat de brief van 21 december 2016 slechts over de RSU’s die op een moment in de toekomst onvoorwaardelijk zullen worden. Dat had belanghebbende ook redelijkerwijs duidelijk moeten zijn, aldus het Hof. Het Hof heeft daarom belanghebbendes beroep op door de ruling gewekt vertrouwen verworpen. 3.4.1 Ten slotte was voor het Hof in geschil of het gelijkheidsbeginsel is geschonden doordat de Inspecteur de verdeling van belanghebbendes salaris tussen de vennootschap en de kleindochtervennootschap niet heeft gevolgd. Volgens belanghebbende hadden hij en zijn drie medebestuurders van de vennootschap allen een duaal contract (‘salary split’), en heeft de Belastingdienst alleen bij belanghebbende de salary split niet gevolgd. Aangezien het gaat om gelijke gevallen, is volgens belanghebbende het gelijkheidsbeginsel geschonden. Belanghebbende heeft het Hof gevraagd hierover te oordelen mede op grondslag van de stukken die de andere statutair bestuurders betreffen en die de Inspecteur met een beroep op beperkte kennisneming in de procedure heeft ingebracht. 3.4.2 Het Hof heeft mede op basis van die stukken vastgesteld dat de door belanghebbende genoemde gevallen van zijn medebestuurders op andere relevante punten dan het hebben van een duaal contract niet vergelijkbaar zijn met de situatie van belanghebbende. Het Hof heeft geoordeeld dat de gevallen daarom niet gelijk zijn. Een nadere motivering voor deze vaststelling heeft het Hof niet gegeven, omdat daardoor persoonsgegevens van de andere bestuurders zouden worden prijsgegeven die de Inspecteur terecht heeft geschoond. Het Hof heeft belanghebbendes beroep op het gelijkheidsbeginsel verworpen. 4 Beoordeling van de middelen 4.1.1 Het tweede middel klaagt – onder meer onder verwijzing naar de hiervoor in 2.12 tot en met 2.17 weergegeven feiten en omstandigheden – over het hiervoor in 3.2 weergegeven oordeel van het Hof dat de Inspecteur tijdens de aanslag- en bezwaarfase geen vertrouwen heeft gewekt dat belanghebbende in de eerste periode niet in Nederland woonde. Het middel acht dat oordeel onbegrijpelijk, althans onjuist. 4.1.2 Het Hof heeft bij zijn oordeel dat niet aannemelijk is dat de Inspecteur het door belanghebbende gestelde vertrouwen heeft gewekt, in aanmerking genomen (i) dat belanghebbende het beroep op het vertrouwensbeginsel pas in hoger beroep voor het eerst heeft gedaan ter zitting van het Hof, en (ii) dat uit het verweerschrift in hoger beroep van belanghebbende valt af te leiden dat ook belanghebbende van mening was dat het onderzoek van de Inspecteur en het door hem ingenomen standpunt tijdens de aanslag- en bezwaarfase uitsluitend betrekking hadden op de tweede periode. Hierin ligt besloten dat het Hof ervan is uitgegaan dat bij de beoordeling of in rechte te beschermen vertrouwen bij een belastingplichtige is gewekt, een subjectieve maatstaf moet worden aangelegd. 4.1.3 Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is vereist dat van de zijde van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of, en zo ja, hoe de inspecteur in een concreet geval een bevoegdheid zou uitoefenen. Een beroep op het vertrouwensbeginsel moet dus naar objectieve maatstaven worden beoordeeld. Het oordeel van het Hof berust daarom op een onjuiste rechtsopvatting. Het tweede middel slaagt. 4.1.4 Uit de stukken van het geding volgt dat de Inspecteur zich in de aanslag- en bezwaarfase aanvankelijk uitdrukkelijk op het standpunt heeft gesteld dat belanghebbende het gehele jaar 2016 niet in Nederland woonde, en zich later uitdrukkelijk op het standpunt heeft gesteld dat belanghebbende in de tweede periode in Nederland woonde. De Inspecteur heeft dus, hoewel hij zijn standpunt heeft aangepast, in de aanslag- en bezwaarfase steeds uitdrukkelijk het standpunt ingenomen dat belanghebbende in de eerste periode niet in Nederland woonde. Uit de stukken van het geding volgt verder dat de Inspecteur dat standpunt heeft gebaseerd op door hem verricht onderzoek naar de woonplaats van belanghebbende in het gehele jaar 2016 en daarmee kennis heeft genomen van alle daartoe benodigde feiten en omstandigheden. Bij belanghebbende is daarom het in rechte te beschermen vertrouwen gewekt dat hij in de eerste periode niet in Nederland woonde. 4.2 Gelet op het slagen van het tweede middel, behoeft het eerste middel, dat is gericht tegen het hiervoor in 3.1 bedoelde oordeel van het Hof, geen behandeling. 4.3.1 Het derde middel komt op tegen het hiervoor in 3.3 weergegeven oordeel van het Hof dat belanghebbende de ruling en de brief van 21 december 2016 niet zo heeft mogen begrijpen dat RSU’s die belanghebbende al heeft genoten voordat hij een beroep deed op de ruling, niet in de belastingheffing in Nederland zouden worden betrokken. Het middel, zoals toegelicht ter zitting van de Hoge Raad, betoogt onder meer dat dit oordeel onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd is, omdat de ruling op zichzelf beschouwd, dus ook los van de brief van 21 december 2016, al meebracht dat Nederlandse belastingheffing over de RSU’s achterwege zou blijven. 4.3.2 Het Hof is bij zijn oordeel alleen ingegaan op de brief van 21 december 2016, die volgens het Hof alleen gaat over RSU’s die op dat moment in de toekomst onvoorwaardelijk zullen worden. Daarmee heeft het Hof verzuimd te responderen op de essentiële stelling van belanghebbende dat de ruling op zichzelf beschouwd bij hem het in rechte te beschermen vertrouwen heeft gewekt dat de RSU’s niet in de Nederlandse belastingheffing zouden worden betrokken. In zoverre slaagt het derde middel. 4.4.1 Het vierde middel komt op tegen het hiervoor in 3.4.2 weergegeven oordeel van het Hof dat het gelijkheidsbeginsel niet is geschonden omdat de situatie van belanghebbende niet vergelijkbaar is met die van zijn medebestuurders. Het middel betoogt dat het Hof bij de verwerping van belanghebbendes beroep op het gelijkheidsbeginsel een onjuiste maatstaf heeft gehanteerd of zijn oordeel ontoereikend heeft gemotiveerd. Volgens het middel valt uit de uitspraak van het Hof niet af te leiden, ook niet in abstracto, welke punten het Hof voor zijn vergelijking relevant heeft geacht. Daardoor is niet na te gaan of het Hof van een juiste maatstaf is uitgegaan en ook niet of het Hof een begrijpelijk oordeel heeft gegeven. 4.4.2 Bij de beoordeling van dit middel stelt de Hoge Raad voorop dat elke rechterlijke beslissing ten minste zodanig moet worden gemotiveerd dat zij voldoende inzicht geeft in de daaraan ten grondslag liggende gedachtegang om de beslissing zowel voor partijen als voor derden – in geval van openstaan van hogere voorzieningen: de hogere rechter daaronder begrepen – controleerbaar en aanvaardbaar te maken. Die verplichting geldt ook als de rechter, zoals in dit geval, mede uitspraak doet op basis van stukken waarvan de rechter een beperking van de kennisneming gerechtvaardigd heeft geacht op grond van artikel 8:29, lid 3, Awb. In laatstbedoeld geval is die verplichting begrensd tot de mate van motivering die mogelijk is zonder gegevens die geheim moeten blijven, prijs te geven. 4.4.3 Belanghebbende heeft voor het Hof gesteld dat twee van zijn medebestuurders niet in Nederland woonden, en dat voor hen evenals voor belanghebbende gold dat de als bestuurder van de vennootschap genoten beloning op grond van artikel 7.2, lid 7, Wet IB 2001 belastbaar is in Nederland, zodat er geen relevant verschil is tussen hen en belanghebbende wat betreft de salary split. 4.4.4 Nederland zou over de door die medebestuurders voor hun werkzaamheden voor de vennootschap genoten beloningen op grond van artikel 7.2, lid 2, letter b, in samenhang gelezen met lid 7, laatste volzin, Wet IB 2001 (tekst 2016) belasting kunnen heffen, mits zij toen inwoner waren van een land waarmee Nederland geen belastingverdrag heeft gesloten, of van een land waarmee Nederland een belastingverdrag heeft gesloten dat aan Nederland het heffingsrecht toewijst over beloningen verkregen door een inwoner van de andere verdragsstaat als bestuurder van een in Nederland gevestigde vennootschap. Indien het Hof tot het juiste oordeel zou zijn gekomen dat bij belanghebbende het in rechte te beschermen vertrouwen is gewekt dat hij in de eerste periode niet in Nederland woonde (zie hiervoor in 4.1.4), en dat hij daarom in de eerste periode niet als inwoner van Nederland kan worden aangemerkt, had het Hof voor de beoordeling van het beroep op het gelijkheidsbeginsel moeten onderzoeken of die medebestuurders inwoner waren van een land als hiervoor in de eerste volzin bedoeld. Door dit na te laten, heeft het Hof zijn oordeel dat geen sprake is van gelijke gevallen, ook met inachtneming van de hiervoor in 4.4.2, laatste volzin, bedoelde begrenzing, onvoldoende gemotiveerd. Het vierde middel slaagt. 4.5 De Hoge Raad heeft ook de overige klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie). 4.6.1 Gelet op wat hiervoor in 4.1.3, 4.3.2 en 4.4.4 is overwogen, kan de uitspraak van het Hof niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen. 4.6.2 Het verwijzingshof dient onder meer het volgende in aanmerking te nemen. 4.6.3 Vanwege het slagen van middel 2 en gelet op wat hiervoor in 4.1.4 is overwogen, moet het verwijzingshof ervan uitgaan dat belanghebbende in de eerste periode niet als inwoner van Nederland kan worden aangemerkt. Het verwijzingshof zal daarvan ook moeten uitgaan bij de door hem als gevolg van het gedeeltelijk slagen van het derde middel te verrichten hernieuwde beoordeling van het hiervoor in 4.3.1 en 4.3.2 behandelde beroep op het vertrouwensbeginsel met betrekking tot de RSU’s. 4.6.4 Als gevolg van het slagen van het vierde middel zal ook belanghebbendes beroep op het gelijkheidsbeginsel na verwijzing opnieuw moeten worden beoordeeld. Gelet op wat hiervoor in 4.1.4 is overwogen, kan het verwijzingshof alleen medebestuurders die niet in Nederland woonden, als gelijke gevallen aanmerken. Het verwijzingshof zal mede op basis van de ongeschoonde stukken moeten onderzoeken of die medebestuurders woonden in een land als hiervoor in 4.4.4, eerste volzin, bedoeld, en zo ja, of de Inspecteur de salary split bij die medebestuurders heeft aanvaard. Indien dat het geval is, zal het verwijzingshof niet zonder daarvoor een nadere motivering te geven, kunnen oordelen dat de situatie van belanghebbende met het oog op de aanvaardbaarheid van de salary split een andere is dan die van deze medebestuurders. Een dergelijke motivering kan worden gegeven zonder gegevens die geheim moeten blijven, prijs te geven. 4.6.5 Indien het verwijzingshof tot het oordeel komt dat het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt, zal het alsnog de door het Hof onbesproken gelaten stelling van de Inspecteur moeten beoordelen dat de gehele beloning van belanghebbende is toe te rekenen aan zijn werkzaamheden voor de vennootschap. 5 Proceskosten De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Door het verwijzingshof zal worden beoordeeld of aan belanghebbende voor de kosten van het geding voor het Hof een vergoeding moet worden toegekend. 6 Beslissing De Hoge Raad: - verklaart het beroep in cassatie gegrond, - vernietigt de uitspraak van het Hof, - verwijst het geding naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest, - draagt de Staatssecretaris van Financiën op aan belanghebbende te vergoeden het griffierecht dat belanghebbende voor de behandeling van het beroep in cassatie heeft betaald van € 138, en - veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op € 6.305 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.R. van Eijsden als voorzitter, en de raadsheren M.W.C. Feteris, P.A.G.M. Cools, A.E.H. van der Voort Maarschalk en F.G.F. Peters, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.P.J. van Kampen, en in het openbaar uitgesproken op 7 augustus 2026. ECLI:NL:GHSHE:2024:2230. ECLI:NL:PHR:2025:500. Vgl. HR 19 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1069, rechtsoverweging 2.3.1, en HR 9 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:439, rechtsoverweging 3.3. Zie HR 4 juni 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC0986, rechtsoverweging 3.4.

Similar Content