Skip to content
Case Law · Rechtbank Zeeland-West-Brabant ·ECLI:NL:RBZWB:2026:5927 NL LLM context A cited markdown file you can paste into your AI assistant (ChatGPT, Claude, a RAG or project knowledge base) to ground it in this document. Contains: this document’s text, its sections with their topics, and the full text of every law provision it applies. Everything links back to its source on overview.legal — legal information, not advice.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 02-06-2026 (C/02/447734/JE RK 26-2251)

Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Summary

Openbare oproep té kort voor de zitting. belanghebbende niet verschenen. het verzoek is toch inhoudelijk beoordeeld. de belanghebbende was ook opgeroepen via laatste bekende e-mailadres. belangen minderjarige vergen dat op korte termijn wordt beslist.

How it connects

Full text

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Team Familie- en Jeugdrecht Middelburg Enkelvoudige Kamer Zaaknummers: C/02/447734/JE RK 26-2251 beschikking betreffende voorziening voogdij d.d. 2 juni 2026 in de zaak van de Gecertificeerde Instelling LEGER DES HEILS JEUGDBESCHERMING , gevestigd te Eindhoven, hierna te noemen de GI, betreffende de minderjarige [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2018, wonende op een bij de rechtbank bekend adres hierna te noemen de minderjarige of [minderjarige] , Als belanghebbenden zijn aangemerkt: - [de biologische moeder] , verblijvende op een onbekend adres in binnen- of buitenland, hierna te noemen de moeder; - [de pleegvader] en [de pleegmoeder] , wonende op een bij de rechtbank bekend adres, hierna te noemen de pleegouders respectievelijk pleegvader of pleegmoeder. Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming , Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, (hierna: de Raad), de rechtbank over het verzoek geadviseerd. 1. Het verloop van het geding 1.1. Dit blijkt uit de volgende stukken: - het op 21 april 2026 ontvangen verzoek met bijlagen; - de mondelinge behandeling van 19 mei 2026. 1.2. Bij de mondelinge behandeling met gesloten deuren waren aanwezig twee vertegenwoordigsters van de GI, de pleegmoeder en twee vertegenwoordigsters van de Raad. De moeder is niet verschenen. 1.3. De GI heeft daarna, zoals toegezegd ter zitting, op verzoek van de kinderrechter stukken toegestuurd waaruit zou blijken van (recent) e-mailcontact met de moeder. Deze stukken heeft de rechtbank op 20 mei 2026 ontvangen. 1.4. [minderjarige] is – na overleg met de pleegmoeder – op een voor haar passende wijze in staat gesteld haar mening over het verzoek te geven. Zij heeft de kinderrechter een briefje geschreven. 2 De feiten 2.1. De moeder oefent van rechtswege het gezag uit over [minderjarige] . 2.2. [minderjarige] is bij de beschikking van deze rechtbank van 9 september 2021 onder toezicht gesteld ingaande 9 september 2021 en tot 9 september 2022. 2.3. Bij de beschikking van 21 augustus 2024 heeft de kinderrechter van deze rechtbank een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] verleend in een voorziening voor pleegzorg tot 4 september 2024. 2.4. De ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg zijn na voornoemde beschikkingen steeds verlengd, laatstelijk tot 9 september 2026. 2.5. [minderjarige] verblijft op basis van de hiervoor genoemde machtigingen sinds september 2024 in het pleeggezin van de pleegouders. 3 Het verzoek De GI verzoekt primair om de GI als voogd te benoemen over [minderjarige] , subsidiair de GI gedeeltelijk met het gezag te belasten met betrekking tot het geven van toestemming van noodzakelijke medische behandelingen, waaronder de inentingen van het Rijksvaccinatieprogramma, en de te geven beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. 3 De beoordeling Processueel 3.1. De biologische moeder van [minderjarige] , [de biologische moeder] , is als ouder met gezag belanghebbende bij het verzoek van de GI. Van de moeder is geen adres of verblijfplaats bekend. De moeder is op 8 mei 2026 via de Staatscourant (openbaar) opgeroepen voor de mondelinge behandeling van 19 mei 2026. Deze oproep is té kort voor de mondelinge behandeling geweest. De moeder is echter ook opgeroepen via het van haar bij de GI bekende e-mailadres op 6 mei 2026. De moeder is niet verschenen en ook heeft de rechtbank geen reactie van de moeder op het verzoek ontvangen. 3.2. De GI heeft tijdens de mondelinge behandeling meegedeeld dat er op 28 april 2026 nog contact is geweest met de moeder via e-mail over de verzoeken die de GI bij de rechtbank had ingediend. De moeder heeft daar wel inhoudelijk op gereageerd, maar zij heeft geen reactie gegeven op het onderhavige verzoek. Daaruit volgt dat de moeder e-mailberichten ontvangt en ook in staat lijkt te zijn daar op te reageren. De rechtbank is van oordeel dat met de toezending van een oproep voor de mondelinge behandeling van 19 mei 2026 via haar e-mailadres, de moeder behoorlijk is opgeroepen en dat er voldoende aan haar belangen in deze procedure is tegemoet gekomen. De rechtbank acht de kans dat de moeder via haar e-mailadres de oproep heeft ontvangen aanmerkelijk groter dan dat zij kennis neemt van de oproep in de Staatscourant. Naar het oordeel van de rechtbank kon de moeder in redelijkheid op de hoogte zijn van het verzoek en de oproep. Zij heeft geen reactie aan de rechtbank toegezonden, maar heeft op of na 28 april 2026 ook geen reactie aan de GI gestuurd op het verzoek om de GI tot voogd te benoemen. Gelet op de hiervoor geschetste omstandigheden én omdat het belang van [minderjarige] vergt dat er binnen korte termijn een beslissing wordt gegeven op het verzoek, zal de rechtbank hierna inhoudelijk ingaan op het verzoek van de GI. inhoudelijk 3.3. Op grond van artikel 1:253q van het Burgerlijk Wetboek (verder: BW) in samenhang met artikel 1:253r BW benoemt de rechtbank een voogd indien de ouder die alleen het gezag uitoefent al dan niet tijdelijk in de onmogelijkheid verkeert het gezag uit te oefenen of het bestaan of de verblijfplaats van degene die het gezag uitoefent onbekend is. 3.4. De GI stelt ter onderbouwing van haar verzoek dat het moeilijk is contact te krijgen met de moeder. Zij verblijft op een voor de GI onbekend adres waardoor het lastig is om (tijdig) gezagsbeslissingen te kunnen nemen voor [minderjarige] . Dat is vooral nu van belang voor de nodige vaccinaties voor [minderjarige] en medische behandelingen, zoals de tandarts. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de GI nog toegevoegd dat het de GI op dat moment niet meer lukte om via mail of telefonisch contact te krijgen met de moeder, ook niet in een situatie met betrekking tot een halfzus van [minderjarige] , waarin de GI met grote urgentie had gevraagd om contact op te nemen. 3.5. De Raad heeft tijdens de mondelinge behandeling aangegeven dat in vergelijkbare situaties in beginsel door de Raad nader onderzoek wordt ingesteld. Onder de door de GI geschetste omstandigheden en toelichting ter zitting, adviseert de Raad het verzoek toe te wijzen, omdat er al geruime tijd niet in het gezag over [minderjarige] wordt voorzien en dat dat een onhoudbare situatie is. 3.6. De pleegmoeder kan zich vinden in het verzoek van de GI. 3.7. De rechtbank overweegt als volgt. [minderjarige] verblijft sinds 21 augustus 2024 bij het pleeggezin omdat er – toen – forse zorgen waren over de opvoedsituatie bij de moeder. Uit de Basisregistratie Persoonsgegevens blijkt dat de moeder is vertrokken van haar laatst bekende woonadres. Zij staat niet meer ingeschreven in Nederland. Ook de GI is niet bekend met het verblijfadres van de moeder. De GI vermoedt dat de moeder in Antwerpen of Brussel verblijft en dat zij – en wellicht ook de halfzusjes van [minderjarige] – mogelijk in een netwerk van mensenhandel en seksuele uitbuiting terecht is gekomen. Het is de moeder niet gelukt om zichzelf en haar kinderen daar tegen te beschermen. De GI kan ook niet vaststellen of het moeder zelf is, die op de e-mailberichten van de GI reageert. De GI heeft ter gelegenheid van de mondelinge behandeling toegelicht dat – waar moeder eerder af en toe nog reageerde op e-mailberichten van de GI – er inmiddels geen contact meer is met moeder. De moeder is bovendien niet meer bereikbaar op haar telefoonnummer, ook niet in spoedgevallen. Ook de pleegmoeder heeft geen contact meer kunnen krijgen met moeder. Het telefoonnummer dat zij van moeder had, bestaat niet meer. Moeder was bovendien onderdeel van een belgroep die zij inmiddels heeft verlaten. Ook het netwerk van de moeder heeft geen contact meer met haar. Uit de stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling is besproken, blijkt daarnaast ook dat [minderjarige] sinds juli 2025 geen contact meer met haar moeder heeft gehad. Er is geen betrokkenheid van de moeder bij (het leven van) [minderjarige] . In de contacten die er met de GI en de pleegmoeder zijn geweest, heeft de moeder ook niet naar [minderjarige] gevraagd of hoe het met haar gaat. De moeder neemt haar verantwoordelijkheid niet en geeft onvoldoende uitvoering aan haar gezag. Uit het briefje dat [minderjarige] heeft geschreven blijkt dat zij veel vragen heeft over waarom haar moeder haar niet wil zien, waarom haar moeder verhuisd is en waar ze woont. Vragen waarop haar moeder haar geen antwoorden geeft. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de moeder al dan niet tijdelijk in de onmogelijkheid verkeert het gezag uit te oefenen over [minderjarige] . De beslissingen die voor [minderjarige] noodzakelijk zijn, zoals bijvoorbeeld in medische aangelegenheden, kunnen daardoor niet (tijdig) worden genomen, waardoor ook de continuïteit van zorg en begeleiding van [minderjarige] alsmede haar ontwikkeling in het gedrang komen. Op grond van het bepaalde in artikel 1:253r, lid 2, BW is de moeder van rechtswege in het gezag over [minderjarige] geschorst. 3.8. Er dient nu in de voogdij over [minderjarige] te worden voorzien. De GI heeft zich bereid verklaard de voogdij over [minderjarige] op zich te nemen. De rechtbank is van oordeel dat het in het belang van [minderjarige] is om de GI met de voogdij te belasten. De rechtbank zal het verzoek daarom toewijzen. 5 De beslissing De rechtbank: verstaat dat het ouderlijk gezag van de moeder [de biologische moeder] over de minderjarige [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2018 is geschorst; benoemt met ingang van heden de gecertificeerde instelling Leger des Heils Jeugdbescherming, gevestigd te Eindhoven, tot voogd over [minderjarige] ; verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad; verzoekt de griffier om krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een aantekening te maken van deze beslissing in het centraal gezagsregister. Deze beschikking is gegeven door mr. Verschoor-Bergsma, kinderrechter, en in aanwezigheid van mr. Van ‘t Westeinde, griffier, in het openbaar uitgesproken op 2 juni 2026. Mededeling van de griffier: Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld: door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak, door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.

Similar Content