Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 16-06-2026 (C/02/439918 / FA RK 25-4779)
Beschikking betreffende voogdij: aanhouding verzoek voogdij/ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing in verband met nieuwe ontwikkelingen. Aanvullend onderzoek en advies van de Raad voor de Kinderbescherming gevraagd.
How it connects
Related across sources
Full text
beschikking RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Team Familie- en Jeugdrecht Zittingsplaats: Middelburg Zaaknummer: C/02/439918 / FA RK 25-4779 datum uitspraak: 16 juni 2026 beschikking betreffende voogdij in de zaak van DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING, REGIO ROTTERDAM-DORDRECHT, locatie Rotterdam, hierna te noemen: de Raad. tegen [de moeder] , hierna te noemen: de moeder, wonende in [woonplaats] , advocaat: mr. C.E.J.E. Kouijzer te Middelburg. betreffende de minderjarige: - [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2025, hierna te noemen: [minderjarige] . Als belanghebbende in onderhavige zaak wordt aangemerkt: STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT, hierna te noemen: Jeugdbescherming Brabant, gevestigd te Tilburg. Als informanten in onderhavige zaak worden aangemerkt: STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND, hierna te noemen: Jeugdbescherming west, gevestigd te Middelburg, [de biologische vader] , hierna te noemen: de biologische vader, wonende in [woonplaats] . 1 Het procesverloop 1.1 De rechtbank oordeelt op grond van de navolgende stukken: - het op 17 september 2025 ontvangen verzoek van de Raad met bijlagen; - de bereidverklaring tot voogdij van Jeugdbescherming west van 16 september 2025; - het rapport van de Raad van 17 november 2025; - het bericht van mr. Kouijzer van 13 mei 2026; - het bericht van mr. Kouijzer van 18 mei 2026. 1.2 Het verzoek is mondeling behandeld op 19 mei 2026. Bij die gelegenheid is verschenen de moeder, bijgestaan door haar advocaat. Ook was aanwezig de biologische vader. Tevens was aanwezig een vertegenwoordiger van de Raad, een vertegenwoordiger van Jeugdbescherming Brabant en een vertegenwoordiger van Jeugdbescherming west. Tot slot was aanwezig een hulpverleenster van [hulpverlening] ter ondersteuning van de moeder. 2 De feiten 2.1 Uit de moeder is het navolgende thans nog minderjarige kind geboren: - [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2025 te [geboorteplaats] . 2.2 Bij beschikking van 25 juni 2025 is de GI belast met de voorlopige voogdij over [minderjarige] met ingang van 25 juni 2025 en tot 9 juli 2025, onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek. 2.3 Bij beschikking van 1 juli 2025 is de voorlopige voogdij over [minderjarige] verlengd met ingang van van 9 juli 2025 en tot 25 september 2025. Tevens is vastgesteld dat de voorlopige voogdij van rechtswege na drie maanden eindigt, namelijk op 25 september 2025, tenzij voor het einde van die termijn aan de rechtbank een voorziening in het gezag over [minderjarige] is verzocht. De voorlopige voogdij loopt dan door totdat op dat verzoek is beslist. 2.4. Op 17 september 2025 heeft de Raad het thans onderhavige verzoek ingediend. 3 Het verzoek Het primaire verzoek 3.1 De Raad verzoekt, uitvoerbaar bij voorraad, op grond van artikel 1:253r lid 1a van het Burgerlijk Wetboek (BW) Jeugdbescherming west te belasten met de (tijdelijke) voogdij over [minderjarige] . Het subsidiaire verzoek 3.2 De Raad verzoekt [minderjarige] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar. Tevens verzoekt de Raad een uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg voor de duur van de ondertoezichtstelling. De Raad verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. 4 De beoordeling Wettelijk kader benoeming voogdij 4.1 Uit artikel 1:253r, lid 1, BW volgt dat het bepaalde in artikel 1:253q BW van overeenkomstige toepassing is, indien één of beide ouders al dan niet tijdelijk in de onmogelijkheid verkeert het gezag uit te oefenen, of het bestaan of de verblijfplaats van één of beide ouders onbekend is. Op grond van lid 2 van artikel 1:253r BW is het gezag, dat aan één of beide ouders toekomt, geschorst gedurende de tijd waarin een van de in het eerste lid bedoelde omstandigheden zich voordoet. 4.2 Ingevolge artikel 1:253q lid 2 BW benoemt de rechtbank een voogd, wanneer beide ouders die gezamenlijk het gezag over hun minderjarige kinderen uitoefenen daartoe op een der in artikel 1:246 BW genoemde gronden onbevoegd zijn. Echter oefent hier één ouder, de moeder, het gezag uit. De rechtbank gaat er daarom van uit dat de Raad zijn verzoek baseert op het in artikel 1:253q lid 3 BW bepaalde. Dat derde lid geeft aan dat wanneer een ouder die alleen het gezag uitoefent, op een van de in artikel 1:246 BW genoemde gronden daartoe onbevoegd is, de rechtbank de andere ouder belast met het gezag, tenzij de rechter oordeelt dat het belang van de minderjarige zich hiertegen verzet. Dan benoemt zij een voogd. Wettelijk kader ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing 4.3 Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en: a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen. 4.4 Ingevolge artikel 1:265b lid 1 BW kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid. Inhoudelijke beoordeling 4.5. De Raad acht het blijkens het overgelegde rapport nodig om in de voogdij voor [minderjarige] te voorzien. De moeder verkeert momenteel in de onmogelijkheid het gezag uit te oefenen. De situatie van moeder is thans niet stabiel; haar relatie is net voorbij, ze heeft geen eigen woonruimte, geen inkomen, wel schulden, en kampt met verslaving(en). De moeder geeft aan nauwelijks voor zichzelf te kunnen zorgen; ze moet eerst aan zichzelf werken. Ze is hier heel hard mee aan de slag. Het lukt moeder momenteel niet om het gezag uit te oefenen en zij erkent dit. Tijdens de zitting licht de Raad toe dat de overgelegde rapportage inmiddels vrij verouderd is. Er zijn in de tussentijd veel ontwikkelingen geweest. Ondanks dat de biologische vader in beeld is gekomen en aangeeft een rol te willen pakken in het leven van [minderjarige] , handhaaft de Raad de verzoeken zoals deze zijn gedaan. De moeder is nog altijd niet in staat het gezag over [minderjarige] uit te oefenen. De Raad is bereid om naar aanleiding van de ontwikkelingen aanvullend onderzoek te doen. 4.6. De rechtbank stelt vast dat voor alle betrokkenen voorop staat dat [minderjarige] op dit moment op een goede plek verblijft, in een pleeggezin waar zij goed is gehecht, waar er goed voor haar wordt gezorgd en waar zij zich goed ontwikkelt. 4.7. De rechtbank stelt verder vast dat zich nieuwe ontwikkelingen hebben voorgedaan. Zo is de rechtbank allereerst daags voor de zitting door de moeder op de hoogte gesteld van het feit dat de biologische vader sinds enkele weken in beeld is gekomen en een rol wil spelen in het leven van [minderjarige] . De biologische vader heeft dit ter zitting bevestigd. Hij is tot aan dit moment afwezig geweest in het leven van [minderjarige] , omdat hij het moeilijk geeft gehad te verwerken wat er in de relatie van de ouders bleek te zijn gebeurd. De vader zegt dat de moeder hem tijdens de relatie van partijen financieel in de problemen heeft gebracht. Om die reden heeft hij haar destijds op straat gezet. De moeder was weliswaar zwanger, maar de woede die de biologische vader op dat moment voelde jegens de moeder stond voor hem toen ook voor woede naar het kind dat zij verwachtte, zo heeft hij tijdens de zitting verklaard. De biologische vader is ook nu nog wel boos op de moeder, maar hij wil nu wel zijn verantwoording voor [minderjarige] pakken en er voor haar zijn. De biologische vader wil [minderjarige] ook erkennen. De moeder en de GI zijn hierover met de biologische vader in gesprek. De rechtbank merkt hierbij op dat gelet op hetgeen uit Tekst en Commentaar bij artikel 1:251b lid 1 onder a BW volgt, in de huidige situatie door erkenning door de biologische vader niet automatisch gezamenlijk gezag ontstaat, nu op dit moment een derde, voorlopig, met de voogdij is belast. In dat geval is niet voldaan aan de voorwaarde van gezamenlijk gezag dat een van de ouders het gezag over het kind heef ten kan er ook niet automatisch gezamenlijk gezag door de erkenning ontstaan. Namens de moeder is ook aangegeven dat op het moment dat de biologische vader [minderjarige] zal erkennen, zij zo mogelijk een voorbehoud zou maken ten aanzien van het gezag in die zin dat de biologische vader door de erkenning geen gezag krijgt. Verder heeft de moeder een duidelijke keuze gemaakt niet langer afstand te willen doen van [minderjarige] . De moeder wil nadat zij verder aan zichzelf heeft gewerkt en stabiel is een rol spelen in het leven van [minderjarige] en uiteindelijk zelf het gezag gaan uitoefenen. Om deze reden is door en namens de moeder bepleit het subsidiaire verzoek van de Raad toe te wijzen. 4.8. De rechtbank is gebleken dat de moeder de afgelopen periode goede stappen heeft gezet. Zij heeft de hulp die haar geboden is met beide handen aangepakt. Zo is zij aan de slag met haar verslavingsproblematiek, heeft zij gewerkt aan haar gebit en met behulp van de bij haar betrokken hulpverlening huisvesting en een uitkering geregeld. Er zijn echter ook nog zorgen. Uit het raadsrapport en hetgeen besproken is tijdens de zitting volgt dat de moeder nog de nodige stappen te zetten heeft. De moeder erkent dat ook. Zij is nog niet stabiel; in maart jl. heeft de moeder nog een suïcidepoging gedaan en ter zitting heeft zij erkend af en toe nog drugs te gebruiken, te weten joints en cocaïne. De moeder bezoekt [minderjarige] geregeld. De frequentie van deze bezoekmomenten is iets omlaag gebracht, omdat de eerdere frequentie niet haalbaar bleek voor de moeder, maar de moeder doet haar best om afspraken rondom [minderjarige] na te komen. 4.9. Vast staat dat de moeder en de biologische vader op dit moment niet in staat zijn zelf de verantwoordelijkheid voor de opvoeding en verzorging van [minderjarige] te dragen en het gezag over haar uit te oefenen. De rechtbank vindt echter wel dat de nieuwe ontwikkelingen in kaart moeten worden gebracht, zodat in het belang van [minderjarige] op basis van alle relevante omstandigheden op de nu voorliggende verzoeken kan worden beslist. Gezien voornoemde nieuwe ontwikkelingen acht de rechtbank zich thans nog onvoldoende geïnformeerd om op de voorliggende verzoeken te beslissen. De Raad heeft aangeboden aanvullend onderzoek te verrichten en op basis daarvan aanvullend te adviseren. Alle aanwezigen hebben daarmee ingestemd. De rechtbank vraagt de Raad derhalve nader onderzoek te doen naar; De situatie van de biologische vader en de rol die hij kan spelen in het leven van [minderjarige] ; De situatie van de moeder en de stappen die zij zet alsmede wat de recente aanwezigheid van de biologische vader hierin betekent, alsook voor de onderlinge dynamiek tussen de ouders; Hoe de biologische vader en de moeder als ouders, al dan niet samen, een rol kunnen spelen in het leven van [minderjarige] en of zij al dan niet in staat zijn om invulling geven aan het gezag. In afwachting van de aanvullende rapportage van de raad zal de behandeling van de zaak worden aangehouden. 4.10. Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing. 5 De beslissing De rechtbank verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming regio Rotterdam-Dordrecht, een nader onderzoek in te stellen ter beantwoording van de hierboven vermelde vragen en daarover te rapporteren en te adviseren, welk rapport vóór hierna te noemen pro forma datum bij de rechtbank dient te worden ingediend, zulks onder gelijktijdige verstrekking van een afschrift daarvan aan de advocaat van de moeder en de GI; houdt de behandeling van deze zaak aan tot 6 oktober 2026 PRO FORMA . Deze beschikking is gegeven door mr. Hendriks, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken op 16 juni 2026 in tegenwoordigheid van mr. Oude Weernink, griffier. Mededeling van de griffier : Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld: door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak, door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch. verzonden op: In verband met deze procedure/ten behoeve van een juiste procesvoering worden uw persoonsgegevens, voor zover nodig, verwerkt in een systeem van het gerecht.