Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 09-06-2026 (C/02/396568 / FA RK 22-1657)
Ondanks aanhoudende wens kinderen en vader geen wijziging hoofdverblijf maar vaststellen co-ouderschap. Kinderen zitten klem in situatie en omdraaiing zorgregeling is groter risico voor contactverlies met moeder.
How it connects
Related across sources
Full text
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Familie- en Jeugdrecht Zaaknummer: C/02/396568 / FA RK 22-1657 Datum uitspraak: 9 juni 2026 beschikking van 9 juni 2026 in de zaak van [de vrouw] , wonende te [woonplaats] , hierna te noemen: de vrouw, advocaat mr. F.J.I. van den Branden, gevestigd te Terneuzen, en [de man] , wonende te [woonplaats] , hierna te noemen: de man, advocaat mr. M. Janse, gevestigd te Bergen op Zoom. De kinderrechter merkt als informant aan: de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming west Zeeland , gevestigd te Middelburg, hierna te noemen: de GI. Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in de procedure gekend: - de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, hierna te noemen: de Raad. 1 Het verdere procesverloop 1.1 Dit blijkt uit de volgende stukken: - de beschikking van deze rechtbank van 3 maart 2026 met alle daarin vermelde stukken; - de briefrapportage van de GI van 30 april 2026 met bijlage; - F9-formulier (met bijlagen) van mr. Janse van 1 mei 2026; - de brief met bijlagen van de Raad van 6 mei 2026. 1.2 De zaak is behandeld op de zitting van 12 mei 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaten. Tevens was aanwezig een vertegenwoordiger van de Raad en een vertegenwoordiger van de GI. 1.3. De minderjarigen zijn in de gelegenheid gesteld hun mening kenbaar te maken aan. Zij hebben van deze gelegenheid gebruik gemaakt en hebben een kindgesprek gehad. Tijdens de zitting is kort samengevat wat de minderjarigen hebben verteld en de aanwezigen hebben hierop kunnen reageren. 1.4. De zaak is gelijktijdig behandeld met zaaknummer C/02/445983/ JE RK 26-428 . Op het verzoek in dit zaaknummer is per separate beschikking beslist. 2 De verdere beoordeling 2.1. De rechtbank verwijst naar de eerdere beschikking van 3 maart 2026. In afwachting van de briefrapportage van de GI en het aanvullend advies van de Raad is de zaak aangehouden. De rechtbank heeft de GI gevraagd om de volgende vragen te beantwoorden. - Waarom adviseert de GI een co-ouderschap? - Wat zijn de redenen van de GI dat er niet geadviseerd wordt om het hoofdverblijf van de kinderen bij de man te bepalen en als het ware de huidige zorgregeling om te draaien, zodat de kinderen een weekend in de veertien dagen bij de vrouw zijn? - Hoe komt het dat de GI er geen vertrouwen in heeft dat de man de zorg voor de kinderen kan realiseren wanneer het hoofdverblijf bij hem wordt bepaald? - Hoe ziet de GI de huidige situatie tussen de ouders, waarbij zij nagenoeg niet met elkaar kunnen communiceren, in het kader van een co-ouderschapsregeling? - Wordt er voldoende bereidheid en veranderbaarheid gezien om de ouderschapsbemiddeling in te zetten of is ouderschapsbemiddeling een te lichte vorm om de communicatie tussen de ouders te verbeteren? De rechtbank verwacht verder van de GI een overzicht van alle relevante ontwikkelingen tussen partijen die zich tot dan toe hebben voorgedaan. Voor zover de GI van oordeel is dat haar eerder advies, al dan niet door deze recente ontwikkelingen, moet worden aangepast, dient zij dit de rechtbank gemotiveerd te berichten. 2.2. Bij bericht van 30 april 2026 heeft de GI laten weten dat de GI van mening is dat het verzoek wordt afgewezen. De GI vindt dat gelet op de financiële belangen van de beide ouders beide ouders tegemoetgekomen moet worden in hun financiële situatie en dat er het hoofdverblijf van [minderjarige 1] daarom bij de vrouw dient te worden bepaald en dat van [minderjarige 2] bij de man. Een omkering van de situatie en dat de kinderen dan dus volledig bij de man wonen vindt de GI op dit moment een te vergaande stap. 2.3. Bij bericht van 6 mei 2026 heeft de Raad aanvullend geadviseerd om het hoofdverblijf van de minderjarigen niet te wijzigen en een zorgregeling vast te stellen, waarbij er sprake is van een week op week af regeling met beide ouders en de vakanties bij helfte worden verdeeld. 2.4. Zowel de Raad als de GI hebben tijdens de zitting aangegeven de door hen gegeven adviezen te handhaven. Voor wat betreft de verdere standpunt van partijen zal de rechtbank deze voor zover nodig meenemen in de verdere beoordeling De verdere beoordeling 2.5. De rechtbank overweegt als volgt. Ingevolge artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het gezag op verzoek van de ouders of één van hen aan de rechter worden voorgelegd. De rechter kan ingevolge het tweede lid van genoemd artikel op verzoek een regeling vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag. Deze regeling kan onder meer omvatten een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken, alsmede de beslissing bij welke ouder het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft. De rechter neemt een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt. De rechter dient bij zijn beslissing alle omstandigheden van het geval in acht te nemen, wat er in een voorkomend geval toe kan leiden dat andere belangen zwaarder wegen dan het belang van het kind, hoezeer ook dat belang een overweging van de eerste orde dient te zijn bij de afweging van belangen. 2.6. Tussen partijen is niet in geschil dat de huidige zorgregeling, waarbij de man de kinderen een (lang) weekend in de veertien dagen ziet en de kinderen de rest van de tijd bij de vrouw verblijven, niet in het belang van de kinderen en partijen is. Partijen zijn het erover eens dat het contact tussen de man en de kinderen uitgebreid dient te worden. Dit is ook de wens van de minderjarigen. Partijen verschillen evenwel van mening omtrent de mate waarin dit contact dient te worden uitgebreid. De vrouw is van oordeel dat een co-ouderschapregeling in de vorm van een 50-50 zorgregeling het meest passend is. De man heeft zich op het standpunt gesteld dat bestaande zorgregeling ‘omgeklapt’ dient te worden, in die zin dat de kinderen voortaan een (lang) weekend bij de vrouw verblijven en de rest van de tijd bij hem. De GI en de Raad hebben, zoals hiervoor is overwogen, een 50-50 zorgverdeling geadviseerd. 2.7. De rechtbank stelt voorop dat het antwoord op de vraag welke zorgregeling het meest passend is, partijen al jaren verdeeld houdt. De inzet van hulpverlening en het uitspreken van een ondertoezichtstelling van de kinderen heeft hierin geen verandering gebracht. Het is de rechtbank duidelijk dat partijen, maar zeker ook de minderjarigen, hieronder (zwaar) gebukt gaan. De communicatie tussen partijen is ernstig verstoord geraakt en kenmerkt zich door onderling wantrouwen en beschuldigingen over en weer. De minderjarigen zitten klem tussen ouders en worden belast met de spanningen tussen ouders. Duidelijk is ook dat partijen hier zelf niet uitkomen. Zij hebben de rechtbank gevraagd een beslissing te nemen. 2.8. Wat de door partijen verzochte zorgregeling betreft, overweegt de rechtbank dat uit de stukken, de toelichting door partijen, de verslaglegging en adviezen van de GI en de Raad volgt dat er geen voor partijen en de kinderen ideale zorgregeling is en dat aan zowel de door de vrouw als de man verzochte regeling verschillende voor- en nadelen kleven. De rechtbank zal deze voor- en nadelen tegen elkaar afwegen en met inachtneming van voornoemd criterium een beslissing over de zorgregeling nemen. 2.9. Bij deze beoordeling neemt de rechtbank tot uitgangspunt dat het in het algemeen in het belang is van kinderen om gedeeld en gelijkwaardig ouderschap te ervaren. Dit uitgangspunt is ook in de wet opgenomen in artikel 1:247 BW. Volgens vaste jurisprudentie volgt uit deze bepaling evenwel niet dat als uitgangspunt heeft te gelden dat de zorgtijd tussen ouders exact bij helfte moet worden gedeeld. Wel volgt uit de wetsgeschiedenis dat deze bepaling beoogt beide ouders, zo mogelijk, na een scheiding een substantiële rol in de verzorging van de kinderen te geven. 2.10. Duidelijk is dat de rol van de vrouw in de verzorging en opvoeding van de kinderen aanzienlijk zal afnemen indien wordt overgegaan tot de door de man verzochte zorgregeling. De rechtbank acht daarnaast, met de Raad, zeker niet uitgesloten dat, gelet op de negatieve houding van [minderjarige 2] richting zijn moeder, [minderjarige 2] zich in dat geval nog meer zal terugtrekken van zijn moeder waardoor de onderlinge hechtingsrelatie verder onder druk komt te staan. De rechtbank acht dit alles niet in het belang van de minderjarigen en de vrouw. Uit de stukken en de toelichting door partijen op zitting volgt dat de verstoorde/moeizame relatie tussen de vrouw en de minderjarigen (grotendeels) wordt veroorzaakt door de omstandigheid dat de vrouw al geruime tijd overbelast is. Zoals ook uit het raadsrapport volgt en de vrouw ter zitting heeft toegelicht wordt hierdoor de kans op emotionele reacties vergroot, waardoor de kinderen hun moeder als boos en onredelijk ervaren, en daar dan vervolgens vanuit hun eigen emotie op reageren. De rechtbank acht voldoende aannemelijk dat deze situatie zal verbeteren indien de vrouw meer ontlast wordt in haar opvoedtaken. Daarvoor is naar het oordeel van de rechtbank -vooralsnog- niet nodig dat de vrouw de kinderen nog slechts een weekend per veertien dagen verzorgd. Ook in een 50-50 verdeling van de zorg, zo valt -vooralsnog- te verwachten, zal deze verbetering waarschijnlijk zijn. Daar komt bij dat de man buiten de vakanties om, op een enkele week na, nooit voor langere tijd de dagelijkse verzorging van de kinderen heeft gehad, zodat ook hierom niet met voldoende zekerheid kan worden geoordeeld dat de door de man verzochte zorgregeling meer in het belang van de minderjarigen is. In dit verband overweegt de rechtbank dat een 50-50 verdeling van de zorg ook -in ieder geval deels- tegemoet komt aan de wens van de man om zijn kinderen vaker te zien en te verzorgen. Tijdens de zitting is nog -kort- gesproken over een ‘tussenvariant’ waarbij de man de kinderen tussendoor nog een dag extra ziet, maar gelet op de hiermee gepaard gaande extra wisselmomenten werd dit door partijen niet in het belang van de minderjarigen geacht. 2.11. [minderjarige 2] heeft in de onderhavige procedure voortdurend en bij herhaling aangegeven meer bij zijn vader te willen zijn en dan het liefst conform de door de man verzochte zorgregeling. Volgens [minderjarige 2] zijn er bij de man minder ruzies en kan hij zich beter concentreren wat zijn schoolprestaties ten goede komt. Ook [minderjarige 1] heeft voortdurend en bij herhaling aangegeven meer bij zijn vader te willen zijn. Omtrent de mate waarin dit zou moeten gebeuren, is hij minder stellig en meer wisselend dan [minderjarige 2] . In het laatste gesprek met de rechter heeft [minderjarige 1] zich hierover niet kunnen/willen uitlaten. Hoewel de rechtbank van oordeel is dat de mening/wens van de minderjarigen, mede gelet ook op de leeftijd van met name [minderjarige 2] , erg belangrijk is, is de rechtbank van oordeel dat hieraan in de onderhavige zaak geen doorslaggevende betekenis behoort toe te komen. Daartoe overweegt de rechtbank dat de wens van beide minderjarigen om meer tijd bij hun vader door te brengen met name is ingegeven door de verstoorde relatie met hun moeder en hun beleving van de situatie bij haar thuis. Naar hiervoor is overwogen, valt -vooralsnog- te verwachten dat deze situatie zal verbeteren in een 50-50 verdeling van de zorg, terwijl ook in deze situatie tegemoet wordt gekomen aan de wens van beide minderjarigen om hun vader meer te zien. Zoals hiervoor eveneens is overwogen, heeft de man buiten de vakanties om, op een enkele week na, nooit de dagelijkse verzorging van de kinderen gehad. Onduidelijk is wat een (aanzienlijke) uitbreiding van het verblijf van de minderjarigen bij hun vader betekent voor de beleving van de kinderen van de thuissituatie bij de man. Verder overweegt de rechtbank in dit verband dat uit het raadsrapport en uit het gesprek met [minderjarige 2] volgt dat het inmiddels op onderdelen in zijn leven iets beter lijkt te gaan. Zo heeft hij baat bij de psychomotorische therapie (PMT), heeft hij meer vrienden en zijn zijn schoolprestaties verbeterd. Ook hierom ziet de rechtbank -vooralsnog- onvoldoende aanleiding om -volledig- tegemoet te komen aan de wens van [minderjarige 2] . Tot slot overweegt de rechtbank dat partijen een variant waarin [minderjarige 2] meer dan [minderjarige 1] naar zijn vader gaat, mede gelet op de door [minderjarige 1] geuite bezwaren hiertegen, niet als een optie zien. 2.12. Al met al is de rechtbank dan ook van oordeel dat een gelijkwaardige zorgverdeling in die vorm van een co-ouderschap -vooralsnog- meer recht doet aan de belangen van partijen en de minderjarigen. Daarbij ziet de rechtbank ook nadelen aan een co-ouderschap. Een co-ouderschap brengt mee dat ieder van de ouders een substantieel aandeel in de opvoeding en verzorging van de minderjarigen heeft. Voor de uitvoering hiervan dienen de ouders in staat te zijn hun aandeel in de verzorging en opvoeding zodanig op elkaar af te stemmen dat de minderjarigen er van profiteren, althans tenminste geen last ervan ondervinden. Co-ouderschap is in de praktijk uitvoerbaar middels een zogenaamd coöperatief ouderschap, dat inhoudt dat ouders zoveel mogelijk samenwerken, overleggen en hun ervaringen delen. Het kan ook middels een zogenaamd parallel ouderschap, hetgeen betekent dat de huishoudens meer los van elkaar bestaan, met weinig communicatie of emotionele betrokkenheid tussen de ouders. In het onderhavige geval lijkt een parallel ouderschap meer voor de hand te liggen. Ook in dat geval echter dienen partijen op minimale wijze met elkaar te kunnen communiceren, terwijl ook overigens de situatie rustig en stabiel moet zijn. Als hiervoor overwogen, staat vast dat er sprake is van strijd tussen partijen en dat zij vooralsnog onvoldoende in staat zijn gebleken de minderjarigen daar buiten te houden. Duidelijk is ook dat partijen een andere opvoedstijl hanteren, er geen vertrouwen is en dat er nauwelijks uitwisseling van informatie plaatsvindt. Dit alles vormt een contra-indicatie voor co-ouderschap. 2.13. De rechtbank acht het positief (en knap) dat partijen zich opnieuw hebben aangemeld voor een traject ouderschapsbemiddeling bij [hulpverlening] . Naar de rechtbank begrijpt, zullen partijen in dit traject ieder voor zich en tezamen gaan werken aan de verbetering van hun communicatie en aan het herstel van hun onderling vertrouwen. Partijen kunnen binnen dit ouderschapstraject tevens werken aan het vormgeven van hun samenwerking en het maken van praktische afspraken met betrekking tot de zorgregeling. Partijen hebben tijdens de zitting uitgesproken zich -in het belang van de minderjarigen- te zullen inzetten voor het slagen van dit traject. De rechtbank overweegt verder dat de ondertoezichtstelling van de minderjarigen op de zitting van 12 mei 2026 met 12 maanden is verlengd. Ook in het kader van de ondertoezichtstelling kan naar het oordeel van de rechtbank (verder) worden toegewerkt naar een verbetering van de samenwerking en het contact van partijen. Tevens kan in dit kader het verloop van de zorgregeling en het effect hiervan op de minderjarigen worden gemonitord en, zo nodig, worden bijgestuurd. 2.14. Tegen deze achtergrond acht de rechtbank een voldoende grote kans aanwezig dat de hiervoor genoemde contra-indicaties kunnen worden weggenomen en dat een co-ouderschap regeling kan slagen. De rechtbank is daarnaast van oordeel dat een beslissing door de rechtbank over de zorgregeling partijen meer rust zal geven. Partijen weten dan wat er van hen wordt verwacht en het is dan vervolgens aan hen om er, in het belang van de minderjarigen, een succes van te maken. 2.15. De slotsom luidt dan ook dat de rechtbank een zorgregeling zal vaststelling waarbij de minderjarigen de ene week bij de vrouw zullen verblijven en de andere week bij de man, waarbij het wisselmoment, zo is tussen partijen niet in geschil, zal plaatsvinden op vrijdag na school. Partijen zijn het er ter zitting over eens geworden dat de kinderen zelfstandig naar en van beide ouders zullen gaan. Omtrent het halen en brengen van de spullen van de minderjarigen zullen partijen, zo zijn zij ter zitting overeengekomen, zo nodig in het kader van het traject ouderschapsbemiddeling (nadere) afspraken maken. 2.16. Wat het hoofdverblijf van de minderjarigen betreft, stelt de rechtbank voorop dat de minderjarigen ingevolge de hiervoor genoemde co-ouderschapsregeling evenveel bij de man als bij de vrouw zijn. In die zin hebben beide kinderen dan ook geen hoofdverblijfplaats in de taalkundige betekenis van het woord en evenmin in juridische zin. In de jurisprudentie komt het daarom regelmatig voor dat er geen hoofdverblijfplaats van de kinderen wordt vastgesteld. Daarnaast geldt dat de ouder bij wie de hoofdverblijfplaats van de kinderen is vastgesteld niet meer of andere bevoegdheden of zeggenschap heeft dan de ouder bij wie de hoofdverblijfplaats niet is vastgesteld. Een wijziging van de hoofdverblijfplaats heeft in die zin geen enkel gevolg. De rechtbank ziet ook in de onderhavige situatie geen aanleiding om te bepalen dat de minderjarigen hun hoofdverblijf zullen hebben bij één van de ouders omdat een gelijkwaardig co-ouderschap zal worden vastgesteld en de vaststelling van de hoofdverblijfplaats geen recht doet aan de gelijkwaardige rol die de ouders in het kader van hun co-ouderschap vervullen. De verzoeken over en weer zullen dan ook worden afgewezen. De hoofdverblijfplaats moet los worden gezien van het adres waarop de minderjarigen worden ingeschreven. De kinderen staan ingeschreven op het adres van de vrouw. Niet gebleken is dat hieromtrent een geschil bestaat tussen partijen. In ieder geval hebben partijen hieromtrent geen (aparte) verzoeken gedaan, zodat de rechtbank hierover geen oordeel behoeft te geven. Vakantieregeling 2.17. De rechtbank zal vastleggen dat de vakanties bij helfte tussen partijen worden verdeeld. Daarbij spreken partijen af dat de zomervakantie start vanaf de donderdag, nu de kinderen op vrijdag al vrij zijn. Met de kerstvakantie streven partijen er naar dat de kinderen gedurende één week bij iedere ouder verblijven (en dan de kerstdagen bij de ene ouder en Oud- en Nieuwjaarsdag bij de andere ouder). Andere bijzondere dagen, zoals Vaderdag, Moederdag, Koningsdag, Pasen, Pinksteren, Hemelvaart en de verjaardagen van de kinderen verblijven bij de ouder bij wie zij volgens de reguliere zorgregeling verblijven. Ten aanzien van het vervoer van de spullen van de kinderen is tijdens de zitting besproken dat eventuele afspraken over de spullen van de kinderen, welke bij de overdracht nodig zijn, in onderling overleg tussen de ouders bij de hulpverlening worden gemaakt. Het doel daarbij is om de kinderen te ontlasten en te laten zien dat de ouders in staat zijn hierover goede en werkbare afspraken met elkaar te maken. Kinderalimentatie 2.18. De vrouw verzoekt de eerder tussen partijen gemaakte afspraken in het op 28 augustus 2019 door partijen ondertekende ouderschapsplan vast te leggen. De man zou op grond van dit ouderschapsplan € 232,-- per kind per maand betalen. Geïndexeerd naar 2022 is dat € 250,19 per kind per maand. De vrouw verzoekt dit bedrag met ingang van 1 januari 2022 vast te leggen met de bepaling dat de man gerechtigd is om eens per kwartaal € 100,00 per kind in mindering te brengen, steeds bij de betaling van de alimentatie voor de eerste maand van ieder kwartaal. 2.19. De man verzoekt nihilstelling danwel, indien de rechtbank het hoofdverblijf niet bij de man bepaalt en een co-ouderschap vast stelt, de door de man te betalen kinderalimentatie vast te stellen op € 184,- per kind per maand, waarbij voorts uitdrukkelijk wordt opgenomen dat de man gerechtigd is om eens per kwartaal € 150,- per kind in mindering te brengen op dit bedrag. Ingangsdatum en terugbetalingsverplichting 2.20. Tijdens de zitting hebben partijen overeenstemming bereikt over de ingangsdatum. Tussen partijen is niet (meer) in geschil dat de kinderalimentatie ingaat op de datum van de te wijzen beschikking en dat voor het verleden geldt dat deze vastgesteld wordt op de hiervoor betaalde kinderalimentatie. Er is dus geen sprake van enige terugbetalingsverplichting. Uitgangspunt aanbevelingen Expertgroep Alimentatie 2.21. Bij het bepalen van de behoefte aan een onderhoudsbijdrage en de financiële draagkracht om die te voldoen hanteert de rechtbank de uitgangspunten, zoals deze zijn neergelegd in de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie. 2.22. De rechtbank gaat uit van de door mr. Janse bij het verweerschrift als productie 15 overgelegde berekeningen. Op de punten waarin de rechtbank van deze berekeningen afwijkt, wordt hieronder nader ingegaan. Behoefte kinderen 2.23. Tussen partijen staat vast dat de behoefte van de kinderen, geïndexeerd naar 2026, € 771,-- per kind per maand bedraagt. De rechtbank zal daarvan uitgaan. Aandeel in de kosten van de kinderen 2.24. Beoordeeld dient te worden in welke verhouding de behoefte van de minderjarigen tussen de onderhoudsplichtigen zal worden verdeeld. De rechtbank volgt ook in dit opzicht de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie, inhoudende dat de behoefte van kinderen tussen de onderhoudsplichtigen wordt verdeeld naar rato van hun draagkracht. Daartoe dient eerst het netto besteedbaar inkomen (NBI) van de onderhoudsplichtigen te worden bepaald. Het bedrag aan draagkracht wordt in 2026 bij inkomens vanaf € 2.200,= per maand vastgesteld aan de hand van de formule 70% x [NBI – (0,3 x NBI + € 1.365,=)]. Voor de lagere inkomens (beneden een NBI van € 2.200,= per maand) zijn vaste bedragen per categorie van toepassing. 2.25. Het aandeel van de onderhoudsplichtigen in de behoefte van de minderjarigen becijfert de rechtbank aan de hand van ieders huidig netto besteedbaar inkomen (NBI), waarbij hun draagkracht wordt vastgesteld aan de hand van de formule of de tabel, zoals opgenomen in eerder genoemde aanbevelingen. Becijfering NBI en draagkracht 2.26. Tussen partijen staat vast dat het NBI van de vrouw in 2026 € 3.075,= per maand bedraagt. De draagkracht van de vrouw is dan volgens de onweersproken berekening van mr. Janse € 552,= per maand. 2.27. Voor de vaststelling van het NBI van de man gaat de rechtbank uit van de volgende niet dan wel onvoldoende weersproken gegevens. De man heeft volgens de loonstrook van april 2026 een inkomen van € 3.251,51 bruto per maand, te vermeerderen de gebruikelijke vakantietoeslag en met een ploegentoeslag van € 1.007,97 bruto per maand en een vergoeding zorgverzekering van € 62,50 per maand en een aanvullende vergoeding zorgverzekering van € 39,45 per maand. Daarnaast houdt de rechtbank, zoals besproken tijdens de zitting met partijen, rekening met een bonus aan de zijde van de man van gemiddeld € 2.500,= bruto per jaar. De rechtbank houdt daarnaast rekening met de van toepassing zijnde premies en heffingskortingen (algemene heffingskorting, arbeidskorting en inkomensafhankelijk combinatiekorting), de verschuldigde inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen. Aan de hand van deze uitgangspunten becijfert de rechtbank het huidige NBI van de man op een bedrag ter hoogte van € 3.746,= per maand. De draagkracht van de man is dan volgens de formule € 880,= per maand. Geen draagkrachtvergelijking, gezamenlijke draagkracht lager dan behoefte 2.28. De draagkracht van de vrouw is volgens de formule € 552,= per maand. De draagkracht van de man bedraagt volgens de formule € 880,= per maand. Dit is totaal € 1.432,=. Een draagkrachtvergelijking blijft achterwege, omdat de totale draagkracht van de onderhoudsplichtigen € 110,= lager is dan de hiervoor becijferde behoefte van de minderjarigen van totaal € 1.542,= per maand. Verdelen tekort in voorzien behoefte 2.29. Nu de draagkracht van de onderhoudsplichtigen onvoldoende is om volledig in de behoefte van de minderjarigen te voorzien, wordt, na toepassing van de zorgkorting (van 35%), het tekort gelijkelijk over de onderhoudsplichtigen verdeeld. Voor de man betekent dit dat de helft van het tekort in mindering komt op zijn zorgkorting, zodat de door hem te betalen bijdrage als volgt wordt berekend: € 880,= [bedrag volledige draagkracht man] – (€ 540,= [bedrag zorgkorting] - € 55,= [bedrag van de helft van het tekort) = € 395,= per maand en (afgerond) € 198,= per kind per maand. Samenvattend 2.30. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de door de man te betalen bijdrage met ingang van de datum van deze beschikking vaststellen op € 198,= per maand per kind. Partijen hebben daarbij op de zitting afgesproken dat de man het bedrag dat hij op dit moment eenmaal per kwartaal op de alimentatie in minder brengt, ook in de toekomst in mindering mag brengen op de door hem aan de vrouw te betalen kinderalimentatie. De man zal, zo begrijpt de rechtbank, voor dit bedrag kleding voor de kinderen kopen. De rechtbank zal ook rekening houden met deze afspraak van partijen en deze afspraak, nu partijen ter zitting niet de exacte hoogte van dit bedrag konden vertellen, als volgt vastleggen. Berekeningen 2.31. De rechtbank heeft berekeningen gemaakt. Gescande exemplaren van deze berekeningen zijn als bijlage aan deze beschikking toegevoegd en maken daarvan deel uit. 3 De beslissing De rechtbank: 3.1. bepaalt dat de minderjarigen, [minderjarige 2] geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2012 en [minderjarige 1] geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2014, in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gedurende de ene week bij de vrouw verblijven en de andere week bij de man verblijven, waarbij er gewisseld wordt op vrijdag na school en gedurende de helft van de vakanties, nader in onderling overleg door partijen te regelen, waarbij rekening wordt gehouden met hetgeen onder rechtsoverweging 2.17. is opgenomen; 3.2. bepaalt dat de man vanaf de dag van deze beschikking ten behoeve van de verzorging en opvoeding van genoemde minderjarigen aan de vrouw bij vooruitbetaling zal voldoen een bedrag van € 198,= (honderd en achtennegentig euro) per kind per maand, en verstaat daarbij dat de man gerechtigd is om het bedrag dat hij op dit moment eenmaal per kwartaal op de alimentatie in minder brengt, ook in de toekomst in mindering mag brengen op de door hem aan de vrouw te betalen kinderalimentatie; 3.3. stelt het bedrag aan kinderbijdrage dat de man ingevolge voormeld ouderschapsplan van 28 augustus 2019 tot op heden gehouden was te betalen nader vast op hetgeen hij tot heden in feite heeft betaald; 3.4. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad; 3.5. wijst het meer of anders verzochte af. Deze beschikking is gegeven door mr. Hopmans, rechter, tevens kinderrechter en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. Krocké, griffier, op 9 juni 2026. Mededeling van de griffier : Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld: door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak, door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch. verzonden op: In verband met deze procedure/ten behoeve van een juiste procesvoering worden uw persoonsgegevens, voor zover nodig, verwerkt in een systeem van het gerecht.