Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 02-06-2026 (C/02/446531 / FA RK 26-1606)
Voorlopige voorziening betreffende toevertrouwing, uitsluitend gebruik woning, voorlopige zorgregeling en doorverwijzing UHA.
How it connects
Related across sources
Full text
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Team Familie- en Jeugdrecht Middelburg Zaaknummer: C/02/446531 / FA RK 26-1606 datum uitspraak: 2 juni 2026 beschikking betreffende voorlopige voorzieningen in de zaak van [de man] , wonende te [plaats 1] , hierna te noemen de man, advocaat mr. F.C.M. Maat-Oldenhof te ’s-Heer Arendskerke, en [de vrouw] , wonende te [plaats 2] , hierna te noemen de vrouw, advocaat mr. J.C. van den Doel te Zierikzee. Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend: - de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, hierna te noemen: de Raad. 1. Het procesverloop 1.1. Dit blijkt uit de volgende stukken: - het op 26 maart 2026 ontvangen verzoekschrift tot het treffen van voorlopige voorzieningen, met bijlagen; - het op 7 mei 2026 ontvangen verweerschrift tevens houdende zelfstandige verzoeken, met bijlage; - het op 12 mei 2026 ontvangen verweerschrift tegen zelfstandige verzoeken tevens houdende een voorwaardelijk aanvullend verzoek, met bijlagen. 1.2. De zaak is behandeld op de mondelinge behandeling van 13 mei 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaat. Tevens was aanwezig een vertegenwoordigster van de Raad. 2 De feiten 2.1. Partijen, Nederlanders, zijn op 31 januari 2024 te Schouwen-Duiveland een geregistreerd partnerschap met elkaar aangegaan zonder het aangaan van partnerschapsvoorwaarden. 2.2. Partijen hebben de navolgende, nu nog minderjarige, kinderen: - [minderjarige 1] , geboren te [plaats 3] op [datum 1] 2021; - [minderjarige 2] , geboren te [plaats 3] op [datum 2] 2023. 2.3. Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over de minderjarigen. De minderjarigen verblijven bij de vrouw. 2.4. De vrouw heeft op 13 februari 2026 een bodemprocedure strekkende tot ontbinding van het geregistreerd partnerschap aanhangig gemaakt (bekend onder zaaknummer C/02/445266 / FA RK 26-919). 3 De verzoeken 3.1. De man verzoekt de rechtbank om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: I. te bepalen dat hem met ingang van 1 mei 2026 het alleengebruik van de gezamenlijke woning zal toekomen en de vrouw te bevelen deze woning te verlaten en deze verder niet te betreden; II. aan de vrouw te bevelen aan hem af te geven zijn rijbewijs en verder administratie behorend tot zijn eenmanszaak; III. te bepalen dat hij de zorg voor de kinderen zal hebben in iedere tweede week van de vrijdagavond 18.00 uur tot de zondagavond 18.00 uur, alsmede gedurende de helft van de schoolvakanties, meer in het bijzonder in de meivakantie 2026 van vrijdag 17 april 2026 18.00 uur tot zaterdag 25 april 20265 18.00 uur; 3.2. De vrouw voert verweer tegen de verzoeken van de man en vraagt de rechtbank deze verzoeken af te wijzen. Bij wijze van zelfstandig verzoek verzoekt de vrouw, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: te bepalen dat de minderjarige kinderen [minderjarige 1] , geboren op [datum 1] 2021, en [minderjarige 2] , geboren op [datum 2] 2023, worden toevertrouwd aan de vrouw; te bepalen dat de man als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van partijen hun minderjarige kinderen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] vanaf 1 mei 2026, althans vanaf een door de rechtbank te bepalen datum, een bedrag aan de vrouw dient te betalen van € 350,= per kind per maand, althans een door de rechtbank te bepalen bedrag; te bepalen dat de vrouw met uitsluiting van de man gerechtigd is tot het gebruik van de echtelijke woning staande en gelegen te [adres] , met bevel aan de man de woning te verlaten en niet meer te betreden. 3.3. De man voert verweer tegen de zelfstandige verzoeken van de vrouw en verzoekt de rechtbank bij beschikking en voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: I. het verzoek van de vrouw om de kinderen aan haar toe te vertrouwen, af te wijzen; II. het verzoek om een bijdrage van € 350,= per kind per maand, door de man aan de vrouw te betalen ter zake de kosten van opvoeding en verzorging van de kinderen, af te wijzen en de door de man te leveren bijdrage voor de kinderen vast te stellen op € 191,= per maand, met ingang van het moment dat de vrouw de verblijfsoverstijgende kosten voor de kinderen zal dragen in een andere woning dan de woning de woning aan [adres] , althans een financiële regeling te treffen die past bij de verdeling van de zorgtaken en ieders inkomen; III. het verzoek om het alleengebruik van de woning te verkrijgen af te wijzen. Bij wijze van voorwaardelijk aanvullend verzoek verzoekt de man bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: I. in het geval dat de man het alleengebruik van de woning wordt toebedeeld en de vrouw nog geen duurzame andere woonruimte voor zichzelf en de kinderen heeft, te bepalen dat de kinderen aan de man worden toevertrouwd en hun gewone verblijfplaats in de woning aan [adres] zullen houden, een en ander zoals verwoord onder punt 24 van het verweerschrift, 3.4. Op de standpunten van partijen wordt, voor zover van belang voor de beoordeling van de verzoeken, hierna ingegaan. 4 De beoordeling Toevertrouwing minderjarigen 4.1. Ter onderbouwing van haar verzoek om de minderjarigen aan haar toe te vertrouwen heeft de vrouw aangevoerd dat zij vanaf de geboorte van de kinderen voor hen heeft gezorgd en de man zich nooit zo met de kinderen bemoeide. 4.2. De man heeft aangegeven niet in te stemmen met het verzoek van de vrouw, anders dan onder de omstandigheid dat er een gelijkwaardige zorgregeling tot stand komt. De vrouw weigert inmiddels bijna vijf maanden iedere vorm van contact tussen hem en de kinderen. Het lukt de vrouw niet om de kinderen ook tijd te gunnen met hun vader en de man tijd met hen. De man vraagt de rechtbank het verzoek van de vrouw echter met name af te wijzen vanwege een gebrek aan belang bij dit verzoek. De man heeft geen enkele intentie de kinderen uit hun veilige omgeving weg te halen. Voorwaardelijk, voor het geval waarin het uitsluitend gebruik van de woning aan hem wordt toegekend en de vrouw nog geen duurzame andere woonruimte voor zichzelf en de kinderen heeft, verzoekt de man de kinderen aan hem toe te vertrouwen. De man meent dat het in ieders belang is dat de kinderen niet meerdere keren verhuizen. 4.3. De rechtbank overweegt allereerst dat zij, gelet op hetgeen hierna wordt overwogen en beslist over het uitsluitend gebruik van de gezamenlijke woning, niet toekomt aan het voorwaardelijk verzoek van de man om de minderjarigen aan hem toe te vertrouwen. Dit betekent dat de rechtbank hierna alleen het verzoek van de vrouw om de minderjarigen aan haar toe te vertrouwen zal beoordelen. 4.4. De rechtbank is van oordeel dat het in het belang van de minderjarigen is dat zij worden toevertrouwd aan de vrouw. Als onweersproken staat vast dat de vrouw tijdens de samenleving van partijen de hoofdopvoeder van de minderjarigen was. Ook sinds het vertrek van de man uit de gezamenlijke woning (eind december 2025) neemt zij (het overgrote deel van) de verzorging en opvoeding van de kinderen voor haar rekening. Dit betekent dat de minderjarigen er aan gewend zijn dat hun moeder het merendeel van de tijd voor hen zorgt. Het is in het belang van de minderjarigen, mede gelet op hun nog zeer jonge leeftijd, dat dit in ieder geval voorlopig zo blijft. Dit geldt temeer nu - zo is tijdens zitting gebleken - de minderjarigen tijdens de samenleving van partijen dreiging en spanning hebben meegemaakt doordat zij aanwezig waren bij conflicten tussen hun ouders. Ook het feitelijk uiteengaan van partijen heeft ingrijpende veranderingen voor de minderjarigen met zich gebracht. Het is in het belang van de kinderen dat de rust die er nu is behouden blijft. Overigens lijkt de man gezien zijn verweer niet zozeer bezwaren te hebben tegen de toevertrouwing van de kinderen aan de vrouw op zich, maar voert hij met name verweer tegen dit verzoek om te vrouw er toe te bewegen contact tussen hem en de kinderen toe te staan. Dit blijkt temeer uit het feit dat de man zelf slechts voorwaardelijk - voor het geval dat het uitsluitend gebruik van de woning aan hem wordt toegekend en de vrouw nog geen duurzame alternatieve woonruimte heeft gevonden voor haar en de kinderen - om toevertrouwing van de minderjarigen aan hem verzoekt. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het verzoek van de vrouw toewijzen en de kinderen aan haar toevertrouwen. Uitsluitend gebruik gezamenlijke woning 4.5. Ter onderbouwing van zijn verzoek tot het uitsluitend gebruik van de gezamenlijke woning heeft de man, samengevat, het volgende aangevoerd. De woning is gezamenlijk eigendom van partijen. De vrouw kan of wil de man niet uitkopen, terwijl de man de woning juist kan en wil overnemen. De man zal de woning in het kader van de verdeling van de gemeenschap dan ook toegedeeld krijgen. De vrouw heeft de man de toegang tot de woning echter ontzegd. Sindsdien verblijft de man bij zijn ouders. Van hem kan niet worden gevergd dat hij de gastvrijheid van zijn ouders tot het uiterste oprekt. De vrouw had al een andere woning kunnen hebben als zij ervoor gezorgd had dat zij haar documentatie op orde had. 4.6. De vrouw heeft als verweer tegen het verzoek van de man en ter onderbouwing van haar zelfstandig verzoek tot het uitsluitend gebruik van de gezamenlijke woning, samengevat, het volgende aangevoerd. Duidelijk is voor partijen dat de vrouw de woning niet kan niet overnemen. Zij staat ingeschreven als woningzoekende bij de woningbouwvereniging en staat vrij hoog op de wachtlijst. Vanwege een administratieve onduidelijkheid is een recent aan de vrouw aangeboden woning aan haar neus voorbij gegaan. Zolang de vrouw niet over een andere woning beschikt, kan zij niet uit de gezamenlijke woning vertrekken, omdat zij anders met de kinderen op straat staat. De man beschikt op dit moment wèl over andere woonruimte, hij kan namelijk bij zijn ouders verblijven. Het belang van de vrouw om met de minderjarigen tijdelijk in woning te blijven weegt zwaarder dan het belang van de man om alleen in de woning te verblijven. Daarnaast is het niet in het belang van de kinderen om vaker van woonruimte te wisselen dan strikt noodzakelijk. 4.7. De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van de stukken en dat wat is besproken tijdens de zitting, is de rechtbank van oordeel dat het niet wenselijk en ook niet in het belang van de kinderen is dat partijen opnieuw samen in de gezamenlijk woning verblijven. Dit blijkt ook uit het feit dat zij beiden het uitsluitend gebruik van de gezamenlijke woning verzoeken. De rechtbank stelt vast dat beide partijen een belang hebben bij het uitsluitend gebruik van de gezamenlijke woning. Voor de toewijzing van het uitsluitend gebruik van de woning dient daarom een belangenafweging tussen partijen te worden gemaakt. 4.8. De rechtbank is van oordeel dat de vrouw op dit moment een groter belang heeft bij het uitsluitend gebruik van de gezamenlijke woning dan de man. Allereerst heeft te gelden dat, zoals hiervoor overwogen, de minderjarigen aan de vrouw worden toevertrouwd en dat beide partijen van mening zijn dat het in het belang van de minderjarigen is dat zij zo lang mogelijk in de voor hen vertrouwde gezamenlijke woning kunnen blijven wonen en niet meermaals hoeven te verhuizen. Daarnaast weegt de rechtbank in de belangenafweging mee dat de vrouw voldoende heeft onderbouwd dat zij met de kinderen op straat komt te staan als zij de gezamenlijke woning moet verlaten. De vrouw heeft daartoe onweersproken gesteld nergens anders naar toe te kunnen, aangezien haar vader in een verzorgingshuis zit en haar moeder samen met haar vriend op een klein appartementje in [plaats 4] woont. Dit terwijl de man wèl alternatieve woonruimte tot zijn beschikking heeft. De man verblijft immers al vanaf december 2025 in de woning van zijn ouders in [plaats 1] en heeft tijdens de zitting - desgevraagd - verklaard daar voorlopig ook te kunnen blijven. De rechtbank begrijpt dat deze situatie niet ideaal is voor de man. Dit neemt echter niet weg dat hij, anders dan de vrouw en daarmee de minderjarigen op het moment dat zij de gezamenlijke woning zouden moeten verlaten, wel (tijdelijk) onderdak heeft. De rechtbank neemt in de belangenafweging tenslotte ook in aanmerking dat, zo is ter zitting naar voren gekomen, de vrouw op dit moment zwanger is en in augustus is uitgerekend. 4.9. De rechtbank is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat het belang van de vrouw bij het uitsluitend gebruik van de gezamenlijke woning op dit moment groter is dan het belang van de man. Dat brengt mee dat het zelfstandig verzoek van de vrouw tot het uitsluitend gebruik van de woning wordt toegewezen en het verzoek van de man daartoe wordt afgewezen. De rechtbank zal het uitsluitend gebruik van de woning, gelet op de omstandigheid dat de vrouw staat ingeschreven voor een andere woning en hoog op de wachtlijst staat, toewijzen totdat de vrouw een nieuwe woning heeft aanvaard en betrokken in (de omgeving van) [plaats 2] of totdat de rechtbank anders heeft beslist in de bodemprocedure. De voorlopige verdeling van de zorg- en opvoedingstaken 4.10. Ter onderbouwing van zijn verzoek tot vaststelling van de door hem verzochte voorlopige zorgregeling van een weekend per twee weken van vrijdagavond 18.00 uur tot zondagavond 18.00 uur alsmede de helft van de vakanties heeft de man, samengevat, het volgende aangevoerd. De vrouw heeft na het uiteengaan van partijen de dagelijkse zorg voor de kinderen op zich genomen. De man vraagt bijna dagelijks om contact met de kinderen, maar de vrouw weigert dit. De vrouw heeft de kinderen letterlijk als haar ‘eigendom’ bestempeld. Dat is de kern van het probleem. Na het vertrek van de man uit de gezamenlijke woning mocht hij de kinderen nog een paar keer in het bijzijn van de vrouw zien, maar inmiddels weigert zij ieder contact. Er is geen enkele contra-indicatie voor een reguliere zorgregeling. De man is de vader van de kinderen en is in staat zorg te dragen voor de kinderen. Hij wenst uiteindelijk toe te werken naar een gelijkwaardige verdeling van de zorg- en opvoedingstaken. 4.11. De vrouw heeft als verweer tegen het verzoek van de man, samengevat, het volgende aangevoerd. Voor wat betreft de reguliere zorgregeling geeft de vrouw aan dat [minderjarige 1] op vrijdagmiddag tot uiterlijk 18.00 uur zwemles heeft en daarna erg moe is. Het is in het belang van [minderjarige 1] dat zij na de vermoeide schooldag en zwemles in haar eigen omgeving tot rust komt en vroeg naar bed kan. De vrouw vindt het niet bezwaarlijk als de kinderen van zaterdagmorgen 10.00 uur tot zondagavond 18.00 uur bij de man verblijven. De vrouw heeft er - nog - geen vertrouwen in dat de man de verantwoordelijkheid voor de zorg kan dragen en daarom wenst de vrouw dat de kinderen voorlopig één weekend per maand naar de man gaan. De vrouw heeft tijdens de zitting nog naar voren gebracht dat de man een alcoholprobleem heeft en haar in mei 2025 heeft bedreigd. Na die bedreiging is Veilig Thuis betrokken geraakt en via Veilig Thuis zijn partijen inmiddels voor hulpverlening bij het SMWO terecht gekomen. 4.12. De Raad heeft tijdens de zitting het volgende naar voren gebracht. De kinderen zijn aanwezig geweest bij conflicten tussen hun ouders en hebben hierdoor schade opgelopen. Dit is niet goed voor de ontwikkeling van de kinderen en moet daarom ook stoppen. Ook hebben de kinderen ingrijpende wijzigingen meegemaakt ten gevolge van het uiteengaan van hun ouders. Zij hebben een hechtingsrelatie met beide ouders, ook al is de ene ouder meer verzorgend dan de andere ouder. Aan de hechtingsrelatie met de man wordt nu schade toegebracht doordat er sinds het uiteengaan van partijen nauwelijks tot geen contact is tussen de kinderen en de man. Het is nodig dat beide ouders ononderbroken aanwezig zijn in het leven van de kinderen. Het is verwarrend is dat de vrouw enerzijds wil meewerken aan een zorgregeling van een keer per maand van zaterdag t/m zondag maar dat zij zich anderzijds ernstige zorgen maakt vanwege het alcoholgebruik van de man en een bedreiging door de man. Dit gaat niet samen. Beide partijen staan open voor hulpverlening. De Raad weet niet of hulpverlening via het SMWO toereikend is en adviseert partijen in het kader van het UHA door te verwijzen naar een ouderschapsbemiddelingstraject. Het is nodig dat partijen over hun eigen schaduw heen stappen en gaan werken aan het herstel van het onderlinge vertrouwen. In dit hulptraject moet ook veel aandacht komen voor de pijnlijke emoties die partijen voelen ten gevolge van het uiteengaan. Partijen moeten leren als ouders samen beslissingen te nemen over de minderjarigen, daarbij het belang van de kinderen voorop stellend. De Raad merkt tenslotte op geen voorstander te zijn van een zorgregeling van één weekend per maand, zoals door de vrouw gewenst. Het gaat om jonge kinderen die behoefte hebben aan frequent contact met hun vader, zodat het contact weer op kan bloeien en in stand kan blijven. De Raad adviseert dan ook een zorgregeling vast te stellen van een weekend per twee weken waarbij er tussendoor wellicht belcontacten plaatsvinden tussen de man en de kinderen en/of er kaartjes worden gestuurd. Het is in het belang van de kinderen dat de vrouw het contact tussen de man en de kinderen emotioneel ondersteunt. 4.13. De rechtbank overweegt als volgt. Vast staat dat de man sinds het uiteengaan van partijen eind december 2025 nauwelijks contact heeft gehad met de minderjarigen. De rechtbank stelt evenals de Raad voorop dat de kinderen recht hebben op omgang met beide ouders, tenzij het belang van de minderjarigen zich hiertegen verzet. Hiervan is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken. De vrouw stelt zich grote zorgen te maken over een verblijf van de kinderen bij de man vanwege zijn alcoholgebruik en vanwege een incident waarbij zij door de man is bedreigd. Tijdens de zitting is echter gebleken dat de vrouw refereert naar een aan de man in 2021, dus vijf jaar geleden en vóór de geboorte van de kinderen, opgelegde rijontzegging en boete vanwege rijden onder invloed. Dat de man haar in mei 2025 zou hebben bedreigd heeft de vrouw, gelet op de gemotiveerde betwisting daarvan door de man, onvoldoende onderbouwd. Tijdens de zitting is immers gebleken dat de man een geheel andere visie heeft op hetgeen er toen tussen partijen is voorgevallen. Daar komt bij dat deze door de vrouw - overigens pas tijdens de zitting - naar voren gebrachte zorgen niet te rijmen zijn met haar standpunt dat zij zich wel kan vinden in een voorlopige zorgregeling waarbij de minderjarigen een weekend per maand bij de man verblijven noch met het feit dat zij de man eind maart nog voor de kinderen heeft laten zorgen omdat zij een afspraak had. Duidelijk is in ieder geval dat de vrouw, zoals door haar tijdens de zitting erkend, het moeilijk vindt om zorgtaken aan de man over te dragen omdat zij sinds de geboorte van de kinderen de hoofdverzorger is van de kinderen en de man zich nooit zo met de kinderen bemoeide, waardoor zij er weinig vertrouwen in heeft dat de man de verantwoordelijkheid voor de zorg kan dragen. Anderzijds is gebleken dat ook de man weinig vertrouwen heeft in de vrouw, omdat zij tot op heden slechts spaarzaam haar medewerking verleent aan contacten tussen de hem en de kinderen. De rechtbank is evenals de Raad van oordeel dat partijen hier in het belang van de minderjarigen mee aan de slag moeten en tot een herstel van het onderlinge vertrouwen komen. Partijen zullen hierna dan ook, nu zij daar ter zitting mee hebben ingestemd, worden verwezen in het kader van het UHA. Dit neemt niet weg dat de rechtbank in deze procedure een voorlopige zorgregeling zal vaststellen. Immers niet is gebleken dat het belang van de minderjarigen zich hiertegen verzet. Met de Raad is de rechtbank van oordeel dat het in het belang van de minderjarigen is dat zij, gelet op hun jonge leeftijd en de instandhouding en ontwikkeling van een duurzame hechtingsrelatie, ook structureel contact hebben met hun vader. De rechtbank zal daarom, conform het verzoek van de man, een voorlopige zorgregeling vaststellen van een weekend per twee weken. Niet valt in te zien dat - zoals de vrouw stelt - dit omgangsweekend niet zou kunnen starten op vrijdagmiddag na de zwemles van [minderjarige 1] maar pas zou moeten beginnen op zaterdagochtend. De zwemles van [minderjarige 1] is immers uiterlijk 18.00 uur klaar, zodat de man, zoals door hem voorgesteld, eerst [minderjarige 2] van de kinderopvang en vervolgens [minderjarige 1] van de zwemles kan ophalen, waarna de kinderen ook bij de man tot rust kunnen komen en op tijd naar bed kunnen. De rechtbank zal dienovereenkomstig beslissen. Hierbij gaat de rechtbank ervan uit dat de man, zoals door hem tijdens de zitting toegezegd, geen alcohol gebruikt tijdens de contactmomenten met de kinderen. 4.14. De man heeft zijn verzoek met betrekking tot de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tijdens de meivakantie 2026 ingetrokken, omdat deze vakantie inmiddels voorbij is. De rechtbank kan dit (deel van het) verzoek van de man dan ook niet meer onderzoeken, zodat dit (deel van het) verzoek zal worden afgewezen. 4.15. De rechtbank zal het verzoek van de man om te bepalen dat hij de zorg voor de minderjarigen zal hebben gedurende de helft van de (toekomstige) schoolvakanties op onderstaande wijze toewijzen, omdat de vrouw daartegen geen verweer heeft gevoerd en niet is gebleken dat het belang van de minderjarigen zich daartegen verzet. Doorverwijzing UHA 4.16. Naar aanleiding van het advies van de Raad tot een hulpverleningstraject is het UHA tijdens de zitting besproken. Beide partijen hebben ingestemd met een doorverwijzing. Partijen hebben tijdens de zitting overigens afgesproken dat zij daarnaast het reeds ingezette hulpverleningstraject bij het SMWO zullen voortzetten. 4.17. De problematiek van de ouders omvat het volgende. Uit de overgelegde stukken en dat wat tijdens de zitting naar voren is gebracht blijkt dat de onderlinge verhoudingen van partijen verstoord zijn geraakt. Er is sprake van onderling wantrouwen tussen partijen, hetgeen maakt dat zij er onvoldoende in slagen om op ouderniveau op een constructieve wijze met elkaar te communiceren, samen te werken en afspraken te maken over met name de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken. Ook is er bij beide partijen sprake van pijnlijke emoties ten gevolge van het uiteengaan. 4.18. Het lukt partijen, gezien het voorgaande, samen niet de problemen tussen hen op te lossen. De rechtbank vindt het, net als de Raad, daarom nodig dat voor deze ouders en hun minderjarige kinderen een passend (jeugd)hulpverleningstraject bij een zorgaanbieder wordt ingezet. Ouders hebben tijdens de mondelinge behandeling ermee ingestemd dat de rechtbank hen en hun minderjarige kinderen voor (jeugd)hulpverlening verwijst naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio Zeeland. De verwijzing heeft op 18 mei 2026 plaatsgevonden met het verzenden van het verwijzingsformulier naar het loket. Deze beschikking geldt als bevestiging dat ouders met de doorverwijzing en de voorwaarden daarvan hebben ingestemd. 4.19. Met de inzet van het (jeugd)hulptraject gaan de ouders, zo is met hen afgesproken, in ieder geval werken aan het behalen van de volgende resultaten: - de ouders hebben inzicht in de (psychologische) gevolgen van de scheiding voor het kind; - het kind heeft een stem in het scheidingsproces, voelt zich gehoord en gesteund. 4.20. Gebleken is dat ouders daarnaast ook op andere onderdelen hulp en ondersteuning nodig hebben. Daarom heeft de rechter na overleg met de ouders besloten dat zij samen met een zorgaanbieder ook gaan werken aan het behalen van de volgende resultaten: - de (gezagdragende) ouders zorgen voor afspraken en beslissingen die in het belang zijn van het kind; (lichte interventie); - het kind en de (gezagdragende) ouders hebben onbelast contact met elkaar; - er is inzicht in de mogelijkheden/belemmeringen van beide ouders en de hulp die nodig is om een stabiele opvoedsituatie voor het kind te realiseren (binnen de scheidingssituatie). De resultaten zijn ook vastgelegd in een resultatenlijst. Deze lijst is aan deze beschikking gehecht (bijlage 1). Ten aanzien van het verdere verloop van het traject overweegt de rechtbank als volgt. 4.21. Na afloop van het (jeugd)hulpverleningstraject maakt de zorgaanbieder een rapportage op over het verloop en het resultaat van het traject. Deze rapportage wordt als bijlage bij het door de gemeente/toegang op te maken rapport gevoegd. Tussen partijen is een bodemprocedure aanhangig, bij deze rechtbank bekend onder zaaknummer C/02/445266 / FA RK 26-919. Voor het doorlopen van een hulpverleningstraject wordt standaard een termijn van 6 maanden aangehouden. Gelet hierop verzoekt de rechtbank het loket om de volledige UHA rapportage uiterlijk op de familiekamerroldatum van 17 november 2026 , of zoveel eerder als mogelijk is, in de hiervoor genoemde bodemprocedure in te brengen. Op verzoek van het loket en/of de gemeente/toegang kan de rechtbank deze termijn verlengen. Dit verzoek moet gemotiveerd worden gedaan. Als de verlenging wordt toegestaan dan geeft de rechtbank een nieuwe pro forma datum door. 4.22. Als de hulp heeft geleid tot een positief resultaat, stelt de rechtbank ouders (en hun advocaten) in de gelegenheid zich binnen twee weken na ontvangst van de eindrapportage uit te laten of een mondelinge behandeling in de bodemprocedure nog nodig is. De advocaten maken in hun reactie kenbaar wat het resultaat van de hulpverlening betekent voor de in die procedure gedane verzoeken met betrekking tot het de kinderen. 4.23. Als de hulp niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat verzoekt de rechtbank het loket de volledige UHA rapportage ook direct toe te sturen aan de Raad. De Raad toetst en beoordeelt dan of een onderzoek of interventie zal worden verricht. De Raad informeert de rechtbank binnen twee weken na ontvangst van de eindrapportage of er aanleiding is een onderzoek of interventie te starten. 4.24. Wanneer de Raad geen aanleiding ziet voor een onderzoek of interventie, maar op grond van de UHA rapportage direct een advies kan geven, stelt de rechtbank ouders (en hun advocaten) in de gelegenheid zich over dit advies, alsmede over het verdere procesverloop uit te laten. 4.25. Wanneer de Raad een onderzoek wel noodzakelijk vindt, dan verzoekt de rechtbank de Raad dit onderzoek te verrichten en daarover in de in de bodemprocedure bekend onder zaaknummer C/02/445266 / FA RK 26-919 een rapport en advies in te dienen ter beantwoording van de volgende vragen: - welke verdeling van de zorg- en opvoedingstaken door de ouders komt het meest tegemoet aan de belangen van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ? - hoe dient de regeling qua aard, duur en frequentie vorm gegeven te worden? - welke andere feiten en/of omstandigheden die uit het onderzoek naar voren zijn gekomen, is niet in voorgaande vraag aan de orde gesteld en is wel van belang om te vermelden? 4.26. Deze beschikking is een verzoek aan de Raad om dit onderzoek te verrichten, indien het traject niet is gestart of niet positief wordt afgesloten én de Raad dat onderzoek noodzakelijk acht. 4.27. Na een onderzoek of interventie van de Raad stelt de rechtbank ouders (en hun advocaten) in de gelegenheid om binnen een termijn van 14 dagen op de rapportage van de Raad te reageren en zich uit te laten over het verdere procesverloop. 4.28. De rechtbank verzoekt de partijen in de bodemzaak op het verplicht bij te voegen F1-formulier melding te maken van de verwijzing van ouders naar een (jeugd)hulpverleningstraject in het kader van UHA door middel van vermelding UHA in VoVo met zaaknummer C/02/446531 / FA Rk 26-1606 d.d. 2 juni 2026 ; 4.29. De ouders zijn tijdens de mondelinge behandeling geïnformeerd over de privacy aspecten van de doorverwijzing (bijlage 2). Zij hebben met het delen van de persoonsgegevens en de voorwaarden waaronder de verwijzing plaatsvindt ingestemd. Beschikbaarstelling goederen en voorlopige kinderbijdrage 4.30. Vanwege de (te) late indiening van het verweerschrift op zelfstandige verzoeken tevens houdende een voorwaardelijk aanvullend verzoek heeft de rechtbank niet tijdig kennis kunnen nemen van het verweer van de man tegen het verzoek tot vaststelling van een kinderbijdrage en de hierbij overgelegde berekeningen en inkomensgegevens. Ook het verzoek met betrekking tot de afgifte van de goederen is tijdens de zitting vanwege tijdsgebrek niet meer aan bod gekomen. Gelet hierop zal de rechtbank, zoals tijdens de zitting met partijen afgesproken, het verzoek van de man om de vrouw te bevelen aan hem af te geven zijn rijbewijs en de administratie van zijn eenmanszaak en het zelfstandig verzoek van de vrouw tot vaststelling van een voorlopige kinderbijdrage aanhouden in afwachting van een door de rechtbank nader te bepalen zitting. De rechtbank verzoekt partijen opgave te doen van hun verhinderdata over de maanden juli t/m september 2026 en verwijst de zaak daartoe naar de familiekamerrol van 16 juni 2026 . Directe werking 4.31. Tegen deze beslissing staat geen gewoon rechtsmiddel open. Ingevolge artikel 824 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan alleen cassatie in het belang der wet worden ingesteld. Hoger beroep is dus niet mogelijk. Dit betekent dat deze beslissing directe werking heeft. 5 De beslissing De rechtbank: 5.1. bepaalt dat de vrouw bij uitsluiting gerechtigd is tot het gebruik van de gezamenlijke woning, gelegen aan [adres] , totdat zij een nieuwe woning heeft aanvaard en betrokken in (de omgeving van) [plaats 2] of totdat de rechtbank anders heeft beslist in de bodemprocedure, en beveelt de man die woning te verlaten en deze verder niet te betreden; 5.2. bepaalt dat aan de vrouw worden toevertrouwd de minderjarigen: 1. [minderjarige 1] , geboren te [plaats 3] op [datum 1] 2021; 2. [minderjarige 2] , geboren te [plaats 3] op [datum 2] 2023; 5.3. bepaalt dat de man en genoemde minderjarigen in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken voorlopig gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar eenmaal per twee weken van vrijdagmiddag na de zwemles van [minderjarige 1] (zijnde uiterlijk om 18.00 uur) tot zondagavond 18.00 uur, waarbij de man op vrijdagmiddag eerst [minderjarige 2] bij de kinderopvang en vervolgens [minderjarige 1] bij de zwemles ophaalt en de man [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op zondagavond naar de vrouw terugbrengt, alsmede gedurende de helft van de schoolvakanties in onderling overleg tussen partijen nader te bepalen, en wijst het meer of anders verzochte ten aanzien van de zorgregeling af; 5.4. verwijst ouders en hun minderjarige kinderen voor een (jeugd)hulptraject ten behoeve van de hierboven genoemde resultaten naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio Zeeland. Het loket zal ouders en kinderen vervolgens via de toegang van de woonplaatsgemeente van de minderjarigen verwijzen naar de zorgaanbieder; 5.5. verzoekt het loket om uiterlijk op de familiekamerrol van 17 november 2026 pro forma , of zoveel eerder als mogelijk is, in de bodemprocedure bekend onder zaaknummer C/02/445266 / FA RK 26-919 de rapportage over het verloop en het resultaat van het (jeugd)hulpverleningstraject ter griffie in te dienen; 5.6. verzoekt partijen in de bodemprocedure op het verplicht bij te voegen F1-formulier melding te maken van de verwijzing van partijen naar een (jeugd)hulpverleningstraject in het kader van UHA door middel van vermelding “ UHA in VoVo met zaaknummer C/02/446531 / FA RK 26-1606 d.d. 2 juni 2026 ”; 5.7. verzoekt het loket, wanneer het traject niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat, de UHA rapportage ook direct toe te sturen aan de Raad; 5.8. verzoekt de Raad binnen veertien dagen na ontvangst van de UHA rapportage de rechtbank te informeren of hij aanleiding ziet een onderzoek of interventie te starten; 5.9. verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg wanneer het (jeugd)hulptraject niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat, dan wel als de Raad daartoe zelf aanleiding ziet, ten behoeve van de bodemprocedure bekend onder zaaknummer C/02/445266 / FA RK 26-919 onderzoek in te stellen ter beantwoording van de in r.o. 4.25. opgenomen vragen en daarover te rapporteren en te adviseren; 5.10. verzoekt de Raad zijn rapport en advies binnen vier maanden nadat de Raad de rechtbank heeft laten weten dat een onderzoek of interventie zal worden verricht bij de rechtbank in te dienen, zulks onder gelijktijdige verstrekking van een afschrift van dit rapport en advies aan de advocaten van partijen; 5.11. verwijst de zaak ten aanzien van de verzoeken met betrekking tot de beschikbaarstelling van de goederen en de vaststelling van een voorlopige kinderbijdrage om reden als onder r.o. 4.29. vermeld naar de familiekamerrol van 16 juni 2026 pro forma. 5.12. houdt iedere verdere beslissing aan. Deze beschikking is gegeven door mr. Hendriks, rechter tevens kinderrechter, en, in tegenwoordigheid van mr. Van ’t Veer-Bax, griffier, in het openbaar uitgesproken op 2 juni 2026.