Raad van State
Bij besluit van 8 oktober 2021 heeft de Dienst Toeslagen geweigerd aan [appellante] compensatie toe te kennen in het kader van de hersteloperatie toeslagen. Deze uitspraak gaat over compensatie in het kader van de hersteloperatie toeslagen. De compensatieregeling in de Wet hersteloperatie toeslagen is bedoeld voor gedupeerden van zowel institutionele vooringenomenheid als hardheid van het stelsel. [appellante] heeft op 31 januari 2020 verzocht om herbeoordeling van haar recht op kinderopvangtoeslag over de jaren 2013 en 2014. Bij besluit van 8 oktober 2021 heeft de Dienst Toeslagen geweigerd om aan [appellante] compensatie toe te kennen. De rechtbank heeft geoordeeld dat de Dienst Toeslagen terecht heeft geweigerd om [appellante] compensatie toe te kennen. Over het toeslagjaar 2014 heeft de Dienst Toeslagen kinderopvangtoeslag teruggevorderd omdat [appellante] de kinderopvangtoeslag had stopgezet en minder opvanguren heeft afgenomen dan waarop het voorschot kinderopvangtoeslag was berekend.
How it connects
Related across sources
Full text 14 paragraphs
In artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) is bepaald dat het bestuursorgaan de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de bestuursrechter zendt. Deze verplichting heeft ten doel te waarborgen dat een geschil over een besluit wordt beslecht op basis van alle relevante feitelijke gegevens die aan het bestuursorgaan ter beschikking staan, zodat de belanghebbende zich daarover kan uitlaten en de rechter daarmee bij zijn beoordeling rekening kan houden. De op de zaak betrekking hebbende stukken zijn in beginsel alle stukken die het bestuursorgaan ter beschikking staan of hebben gestaan en die van belang kunnen zijn voor de beslechting van de (nog) bestaande geschilpunten (zie ook: de uitspraak van de Afdeling van 26 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1319).
Mede gelet op de passage uit het rapport waar [appellante] naar verwijst - waarin opgenomen is dat door de Dienst Toeslagen gebruik is gemaakt van alternatieve opslaglocaties -, is goed voorstelbaar dat [appellante] er waarde aan hecht dat de Dienst Toeslagen op zorgvuldige wijze uitvoering geeft aan de verplichting om de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de bestuursrechter te zenden. De Afdeling volgt [appellante] echter niet in haar standpunt dat de Dienst Toeslagen gehouden is om alle documenten waarin haar BSN is verwerkt te overleggen. De verplichting voor een bestuursorgaan om stukken over te leggen wordt immers beperkt door de omvang van het geschil. Uit artikel 8:42 van de Awb volgt dus geen verplichting om alle documenten te overleggen waarin het BSN van [appellante] is verwerkt, maar alleen een verplichting om stukken te overleggen die van belang zijn voor de vraag of ten aanzien van [appellante] over het jaar 2014 sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of hardheid van het stelsel. Bij deze stand van zaken ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de rechtbank niet heeft toegezien op de naleving van artikel 8:42 van de Awb.
De Dienst Toeslagen heeft zich op de zitting bij de Afdeling op het standpunt gesteld dat een aanvraag voor kinderopvangtoeslag, ongeacht hoe deze vervolgens werd beoordeeld, altijd kon worden gedaan. Een aanvraag die digitaal wordt gedaan, komt steeds terecht in het Digitaal Archief Systeem (hierna: DAS). De Dienst Toeslagen is nagegaan in DAS of er vanaf 2014 een aanvraag van [appellante] is geregistreerd. Dat is volgens hem niet het geval. Verder heeft de Dienst Toeslagen toegelicht dat weliswaar niet ieder telefoongesprek geregistreerd wordt in TVS, maar dat een gesprek waar iets uit voortvloeit, zoals een telefonische aanvraag, wel altijd wordt geregistreerd. Indien een burger telefonisch een aanvraag doet, wordt deze bovendien omgezet in een zogenoemde melding "burger vraagt toeslag aan". De Dienst Toeslagen is in TVS nagegaan of [appellante] vanaf 2014 een aanvraag heeft gedaan, maar ook hieruit is geen registratie van een aanvraag gebleken. Op de zitting bij de Afdeling heeft de Dienst Toeslagen verder toegelicht dat het bij gegevens die opgenomen zijn in informelere systemen - zoals bedoeld in het hiervoor genoemde rapport uit 2021 - gaat om gegevens over lopende aanvragen, maar niet om de registratie van een aanvraag zelf. Tot slot heeft de Dienst Toeslagen toegelicht dat hij niet kan nagaan of er een poging om een aanvraag in te dienen is gedaan, maar alleen of er een aanvraag is gedaan.
Uit het voorgaande volgt dat de Dienst Toeslagen in de systemen die hij daarvoor ter beschikking heeft, is nagegaan of [appellante] een aanvraag heeft ingediend. Dat [appellante] een aanvraag voor kinderopvangtoeslag heeft gedaan, is niet gebleken. Zoals de rechtbank heeft overwogen, heeft [appellante] daarbij geen begin van een bewijs aangedragen op grond waarvan aannemelijk geacht zou kunnen worden dat zij desondanks geprobeerd heeft om vanaf maart 2014 een aanvraag voor kinderopvangtoeslag in te dienen. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de rechtbank daarom terecht geoordeeld dat er over het toeslagjaar 2014 geen sprake is geweest van vooringenomen handelen door de Dienst Toeslagen, omdat er geen stukken zijn waaruit blijkt dat zij vanaf maart 2014 een aanvraag heeft ingediend. Voor zover [appellante] op de zitting naar voren heeft gebracht dat het voor haar onmogelijk was om digitaal een aanvraag in te dienen omdat zij steeds uit het systeem werd gegooid, overweegt de Afdeling dat dit, wat daar verder overigens van zij, niet getuigt van institutionele vooringenomenheid. Het betoog slaagt niet. Hardheid van het stelsel 7. [appellante] betoogt verder dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de Dienst Toeslagen ten onrechte aan haar geen compensatie heeft toegekend vanwege hardheid van het stelsel. [appellante] heeft niet de mogelijkheid gekregen om een persoonlijke betalingsregeling te treffen. [appellante] heeft meermaals aangegeven dat het bedrag van de betalingsregeling, van € 100,00 per maand, voor haar te hoog was. Zij kon haar vaste lasten niet betalen, omdat zij op bijstandsniveau leefde. Een persoonlijke betalingsregeling betekent in ieder geval dat de beslagvrije voet niet wordt aangetast. Doordat de Dienst Toeslagen geen gehoor heeft gegeven aan haar verzoek om een persoonlijke betalingsregeling, is zij in de schuldenproblematiek terecht gekomen.
De Afdeling overweegt dat de mogelijkheid om een betalingsregeling te treffen bij een terugvordering van kinderopvangtoeslag is geregeld in artikel 7 van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen. Dit artikel maakt onderscheid tussen een standaardbetalingsregeling en een persoonlijke betalingsregeling. Een persoonlijke betalingsregeling houdt, anders dan een standaardbetalingsregeling, rekening met de betalingscapaciteit van een belanghebbende. Een verzoek om een persoonlijke betalingsregeling dient schriftelijk te worden ingediend. Op de zitting bij de Afdeling heeft [appellante] erkend dat zij geen schriftelijk verzoek om een persoonlijke betalingsregeling heeft ingediend. De Afdeling is van oordeel dat reeds daarom geen sprake is geweest van hardheid van het stelsel. Het betoog slaagt niet. Conclusie
Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
De Dienst Toeslagen hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. J.F. de Groot, voorzitter, en mr. A.B. Blomberg en mr. M. den Heyer, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.S. de Jong, griffier. w.g. De Groot voorzitter w.g. De Jong griffier Uitgesproken in het openbaar op 9 juli 2025 1014 BIJLAGE Algemene wet bestuursrecht Artikel 8:42
Uitstel van betaling in verband met betalingsproblemen
De Belastingdienst/Toeslagen stelt de belanghebbende in de gelegenheid een terugvordering te betalen in maandelijkse termijnen van € 40 mits hij voldoet aan door de Belastingdienst/Toeslagen nader te stellen voorwaarden.
De Belastingdienst/Toeslagen kan ambtshalve een betaling in termijnen bewerkstelligen door middel van verrekening van de terugvordering met aan dezelfde belanghebbende periodiek uit te betalen bedragen. Indien een verrekening als bedoeld in de vorige volzin plaats vindt, wordt het totaal van de maandelijks aan de belanghebbende uit te betalen bedragen met ten hoogste € 40 verminderd.
Een betaling van de terugvordering in maandelijkse termijnen eindigt uiterlijk op de dag waarop sedert de vervaldag van de voor de terugvordering geldende betalingstermijn 24 maanden zijn verstreken. Indien de omvang van de terugvordering betaling in 24 maandelijkse termijnen van € 40 niet toelaat, kan de Belastingdienst/Toeslagen, in afwijking van het eerste en tweede lid, een betaling in maandelijkse termijnen van meer dan € 40 verlangen.
Op schriftelijk verzoek van de belanghebbende die aangeeft niet in staat te zijn de terugvordering overeenkomstig de voorgaande leden te betalen kan de Belastingdienst/Toeslagen, in afwijking in zoverre van de voorgaande leden, een betaling in termijnen toestaan gebaseerd op de betalingscapaciteit. De berekening van de betalingscapaciteit vindt plaats op de voet van artikel 13 van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990, met dien verstande dat de Belastingdienst/Toeslagen het netto-besteedbare inkomen van de belanghebbende vermeerdert met het netto-besteedbare inkomen van de persoon die ten tijde van de indiening van het verzoek als partner in de zin van artikel 3 van de wet kan worden beschouwd.
Een betalingsregeling als bedoeld in het vierde lid wordt niet toegestaan indien de belanghebbende of de in dat lid bedoelde partner over voldoende vermogen in de zin van artikel 12 van de Uitvoeringregeling Invorderingswet 1990 beschikken voor de voldoening van de terugvordering, met dien verstande dat bevoorrechte schulden op het vermogen in mindering worden gebracht.
De voorgaande leden zijn niet van toepassing indien het ontstaan van de terugvordering is te wijten aan opzet of grove schuld van de belanghebbende of diens partner.