Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 19-05-2026 (C/02/407666 / FA RK 23-1360)
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Nadere beschikking verzoek tot gezamenlijke gezagsuitoefening en omgangsregeling
Case Summary
beschikking RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Familie- en Jeugdrecht Locatie Breda Zaaknummer: C/02/407666 / FA RK 23-1360 datum uitspraak: 2 juni 2026 Nadere beschikking in de zaak van [de man] , hierna te noemen: de man, wonende in [plaats] , advocaat: mr. N. van Vliet te Breda, tegen [de vrouw] , hierna te noemen: de vrouw, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat: mr. L.A.P. van Haperen te Breda, betreffende de minderjarigen [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2018, hierna te noemen: [minderjarige 1] ; [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2019, hierna te noemen: [minderjarige 2] . Als belanghebbende is aangemerkt: de gecertificeerde instelling JEUGDBESCHERMING BRABANT, locatie Etten-Leur , gevestigd te Etten-Leur, hierna te noemen de GI. Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend: - de Raad voor de Kinderbescherming Zeeland-West-Brabant, locatie Breda , hierna te noemen: de Raad, om de rechtbank over het verzoek te adviseren. 1 Het verdere procesverloop De rechtbank oordeelt op grond van de navolgende stukken: de op 20 mei 2025 door deze rechtbank gegeven tussenbeslissing en de daarin genoemde stukken; de op 26 januari 2026 van de GI ontvangen brief annex verslag, gedateerd 23 januari 2026; het op 28 januari 2026 door de advocaat van de vrouw ingediend F9-formulier; het op 28 januari 2026 door de advocaat van de man ingediend F9-formulier. 3 Het (resterend) verzoek 3.1. Aan de orde zijn (nog) de verzoeken van de man om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat: hij en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gerechtigd zijn tot (begeleide) omgang met elkaar (in het kader van een traject) - en indien partijen hiertoe toestemming verlenen intensieve oudergesprekken - (e.e.a. met inachtneming van hetgeen sub 28 tot en met 38 van het verzoekschrift uiteen is gezet); wordt bepaald dat partijen voortaan gezamenlijk met het ouderlijk gezag worden belast over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . 3.2. Bij voormelde beschikking van 20 mei 2025 is bepaald dat de man en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voorlopig het recht hebben op (on)begeleide omgang met elkaar, in die zin dat de invulling, duur, frequentie en uitbreiding wordt overgelaten aan de GI. Deze beslissing is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Verder is de behandeling van de zaak pro forma aangehouden, in afwachting van een actueel verslag van de GI over het verloop van de ondertoezichtstelling, in het bijzonder het traject ten aanzien van contactherstel. De advocaten van partijen zijn in de gelegenheid gesteld om schriftelijk op dat verslag te reageren. 3.3. Gelet op de nauwe samenhang van deze bodemzaak met het door de GI ingediend verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling in de zaak met het kenmerk C/02/446423 / JE RK 26-510 zijn deze zaken ter zitting gezamenlijk behandeld. In de beide zaken is bij separate beschikking beslist. 3.4. De rechtbank heeft [minderjarige 1] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige 1] heeft hierover een gesprek gevoerd met de rechtbank. Tijdens de zitting heeft de rechtbank samengevat wat [minderjarige 1] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren. 4 Het (nadere) standpunt van de GI 4.1. De GI heeft schriftelijk bericht dat er in totaal in 2024 acht begeleide contactmomenten hebben plaats gevonden. Deze zijn positief verlopen, maar hebben desondanks geen vervolg gekregen, omdat de vrouw nog niet in staat is gebleken de kinderen emotionele ruimte te geven om het contact met hun vader aan te gaan. De kinderen hebben nooit uitleg gekregen waarom het contact abrupt is gestopt. De vrouw laat zien dat zij angst blijft houden dat de veiligheid van de kinderen in het gedrang komt als er omgang is tussen hen en de man. Het lukt haar tot op heden onvoldoende om haar angsten en spanningen bij de kinderen weg te houden. Door de betrokken hulpverlening zijn de bij de vrouw aanwezige zorgen over de man niet als zodanig vastgesteld of anderszins bevestigd. Alle betrokkenen, waaronder ook de Raad, zijn van opvatting dat het inschakelen van hulpverlening voor de vrouw om haar te ondersteunen in het traject van contactherstel belangrijk is, waarbij er in dat kader ook wordt gewerkt aan het vergroten van haar draagvlak. Het wordt in het belang van de kinderen geacht dat zij de mogelijkheid krijgen om zich zelfstandig een vaderbeeld te kunnen vormen. 4.2. Gezien de jonge leeftijd van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en omdat beide ouders nog een behoorlijke tijd als ouders van deze kinderen met elkaar te maken (zullen) hebben is het belangrijk dat beide kinderen daadwerkelijk gaan voelen dat hun ouders in staat zijn om in hun belang te handelen. Complicerend in dat verband is dat de ouders niet met elkaar communiceren. In de praktijk informeert de moeder de vader éénmaal in de zes weken kort via haar advocaat over de kinderen. 4.3. Er kon nog geen vaste jeugdbeschermer worden aangesteld. Wel is in afwachting daarvan de huidige jeugdbeschermer betrokken, die de regie voert over de ingezette en nog in te zetten hulpverlening en gesprekken voert met de ouders en met de kinderen. Gezien wordt bij [minderjarige 2] dat zij een vrolijk meisje is, dat met plezier naar haar moeder en partner gaat. [minderjarige 2] ziet er verzorgd uit, zij praat niet over haar vader. De leerkracht signaleert bij [minderjarige 2] geen veranderd of zorgelijk gedrag. [minderjarige 1] wordt door school omschreven als een heerlijk vrolijk mannetje. Hij let goed op en doet erg zijn best. Hij heeft geen problemen met andere kinderen. Hij praat op school nooit over zijn vader. Wel was hij recent erg van slag toen zijn vader in beeld kwam wegens een gesprek met de Raad voor de Kinderbescherming. 4.4. De man en de vrouw zijn aangemeld bij [praktijk] om te werken aan de volgende doelen: • er is duidelijkheid hoe de omgang tussen de man en de kinderen kan worden opgestart, waardoor er tussen hen onbelast contact kan plaats vinden; • duidelijk is hoe en in welke vorm omgang het best passend is voor beide kinderen, waardoor zij onbelast contact kunnen hebben met de man; • het lukt de man en de vrouw om positief over elkaar te spreken, waardoor de kinderen op een onbelaste wijze zich een eigen beeld kunnen vormen van hun ouders; • de kinderen hebben een plek waar zij hun verhaal kunnen delen, zodat zij worden gehoord en duidelijk wordt wat beiden nodig hebben in het contact met de ouders; • door middel van systeemgesprekken met de ouders komt er meer zicht op de situatie van de ouders en de invloed hiervan op de kinderen, hierdoor ontstaat er een stabiele opvoedsituatie voor de kinderen; in de systeemgesprekken zal er aandacht zijn voor de achtergrond van de ouders en de huidige situatie rondom de woon- en leefsituatie van de kinderen; • de ouders krijgen inzicht in bestaande patronen, waardoor gedragspatronen kunnen veranderen die er in het heden voor zorgen dat ze in negatieve patronen blijven hangen; door de patronen uit te tekenen waardoor zij vastlopen zullen de ouders deze (h)erkennen en weten om te buigen naar positieve patronen; de onderlinge relatie kan daardoor herstellen, waardoor de emotionele problemen verminderen; • het lukt de ouders om meer regie te houden over hun eigen reacties bij moeilijke situaties en ruzies waardoor spanningen niet meer oplopen; • de ouders hebben inzicht in de mogelijkheden en belemmeringen van hen zelf en zij accepteren de hulp die nodig is om een stabiele opvoedsituatie voor de kinderen te realiseren en te behouden; • het lukt de ouders om met elkaar te communiceren en afspraken te maken, waardoor zij beslissingen nemen die in het belang zijn van de kinderen, de kinderen ervaren meer rust en zij hebben geen last van strijd tussen de ouders. 4.5. De rechtbank heeft bij voornoemde beschikking van 20 mei 2025 bepaald dat de kinderen recht hebben op contact met de vader, waarbij de invulling, duur, frequentie en uitbreiding wordt overgelaten aan de GI. De GI is verzocht dit voortvarend op te pakken. De GI tekent daarbij aan dat er geen minimum regeling is vastgelegd en het bovendien lange tijd geleden is dat het begeleide contact tussen de vader en de kinderen is gestopt. Dit maakt dat beide ouders en de kinderen heel zorgvuldig meegenomen dienen te worden in het proces van de hulpverlening om ook duurzaam contact te kunnen realiseren tussen de man en de kinderen. Ook ligt er een belangrijke taak bij de vrouw voor wat betreft het geven van emotionele toestemming aan de kinderen. 4.6. In december 2025 is [praktijk] gestart nadat ook de financiering rond was. Tijdens de start van de hulpverlening hebben er gesprekken plaatsgevonden waarin het genogram en de tijdlijn zijn gemaakt en de Masic is afgenomen bij beide ouders. In maart 2026 hebben ouders (afzonderlijk van elkaar), [praktijk] en de GI gesprekken gehad met elkaar, waarbij door [praktijk] een terugkoppeling is gegeven van de afgelopen periode, alsook een advies voor de komende periode. Daaruit is gebleken dat [praktijk] geen veiligheidsrisico’s ziet die aan contact tussen man en de kinderen in de weg staan. Hoewel beide ouders qua visie aanzienlijk verschillen over hoe zij de relatie hebben beleefd, is er feitelijk, gezien het verloop van de afgelopen twaalf maanden geen sprake geweest van enige vorm van geweld, dreiging of dwingende controle van de man naar de vrouw en/of de kinderen. De vrouw is nogmaals geadviseerd persoonlijke hulpverlening aan te gaan om haar pijn uit het verleden een plekje te geven, maar ook om de man te kunnen zien als ouder van de kinderen die, los van het verleden, een rol in hun leven dient te spelen. 4.7. Er is in samenspraak met [praktijk] een plan gemaakt, bedoeld om tot begeleide contacten tussen de man en de kinderen te komen. Niet omdat de GI zorgen heeft over de veiligheid van de kinderen bij de man, maar omdat het lange tijd geleden is dat de kinderen hem voor het laatst hebben gezien en omdat na het eerdere abrupt eindigen van de omgang de kinderen daarover geen duidelijke reden en uitleg hebben gekregen. De GI heeft grote zorgen over het feit dat de kinderen zich geen eigen beeld hebben kunnen vormen van de man en zij op dit moment alleen informatie en de (angstige) gevoelens en gedachten meekrijgen van de vrouw. In dat verband heeft de vrouw aangegeven dat de kinderen geen contact met de man willen en dat zij regelmatig bang zijn en nachtmerries hebben. De verwachting van de GI is dat de kinderen, die hun vader langere tijd niet hebben gezien of gesproken, een neutrale volwassene nodig hebben in het contact met hem om zich van hem een eigen beeld te kunnen vormen. De kinderen zijn daarom ook aangemeld voor speltherapie met als voornaamste reden dat zij een eigen onafhankelijke plek (zullen) hebben waar zij hun eigen gevoelens en emoties mogen/durven en kunnen uiten. Los daarvan acht de GI het van belang dat de vrouw individuele hulpverlening aangaat om de man een rol te kunnen laten hebben (en houden) in het leven van de kinderen. 4.8. Tot dusver ondernomen acties, waarbij is geprobeerd door het creëren van zo gunstig mogelijke omstandigheden voor de kinderen begeleide contacten tussen hen en de man te laten plaatsvinden, hebben geen resultaat gehad. Gezien werd bij beide kinderen in de wachtkamer dat zij als het ware verstijfden van angst en nadrukkelijk steun bij hun moeder zochten zodra (begeleide) contacten met de man ter sprake kwamen. [praktijk] concludeerde dat er bij de kinderen geen enkele ruimte is om te komen tot contactherstel. Zij ziet dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een situatie verkeren, waarin zij feitelijk geen kind kunnen zijn. Ook vindt zij het zorgelijk dat beide kinderen aangeven dat zij de partner van de moeder als hun biologische vader tevens opvoeder beschouwen. Op grond van al deze omstandigheden ziet de GI op dit moment geen heil in het voortzetten van het traject gericht op het tot stand brengen van begeleide contacten. Er zal eerst moeten worden geïnvesteerd in hulpverlening voor beide kinderen in de vorm van speltherapie. Van belang is dat beide kinderen ieder een eigen behandelaar/therapeut zullen krijgen. Los daarvan blijft het van belang dat de vrouw daadwerkelijk start met individuele hulpverlening, zodra die beschikbaar is. De GI is bereid om de vrouw te helpen om dit hulpverleningstraject te bespoedigen. 4.8. De GI acht het in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] dat in de komende periode gewerkt kan (blijven) worden aan (a) de moeder is in staat emotionele toestemming te geven voor het contact tussen de kinderen en de man, (b) de kinderen hebben een positief en onbelast contact met de man en (c) de ouders zijn in staat om met elkaar over de kinderen te communiceren en zij hebben tevens duidelijkheid over het vormgeven van het ouderschap. Daarom heeft de GI bij een door haar afzonderlijk ingediend verzoekschrift verzocht de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen, aanvankelijk voor de duur van negen maanden. Ter zitting heeft de GI dit verzoek mondeling in die zin gewijzigd, dat zij nu verzoekt de ondertoezichtstelling voor de duur van twaalf maanden te verlengen. 5 Het standpunt van [minderjarige 1] heeft tijdens het afzonderlijke kindgesprek - samengevat - aangegeven dat hij het moeilijk vindt dit gesprek te voeren en dat hij daarom de avond tevoren kampte met hoofdpijnklachten. Er heeft met hem een gesprek plaatsgevonden bij [praktijk] . Dat vond hij niet fijn, vooral omdat hij de indruk had dat men hem ertoe wilde dwingen om mee te werken aan begeleide contacten met zijn vader. Hij blijft bij zijn standpunt dat hij geen contact met zijn vader wil, omdat hij niet zijn opvoeder was en is. Dat is nu [persoon] , de partner van zijn moeder. Ten slotte heeft [minderjarige 1] opgemerkt dat het thuis goed gaat, maar dat er wel eens ruzie is tussen hem en zijn zusje. Ook op school loopt het goed. Verder speelt hij graag videospelletjes op de PlayStation. 5 De standpunten van partijen 5.1. Door en namens de man is - samengevat - naar voren gebracht dat hij van opvatting is dat bij de vrouw nog steeds sprake is van een blokkade, die maakt dat zij niet of onvoldoende in staat is om aan de kinderen emotionele toestemming te geven om met hun vader contact te hebben. Ook ziet hij dat het bij de vrouw ontbreekt aan voldoende intrinsieke motivatie om te (gaan) werken aan het geven van emotionele instemming. Daardoor beschikken de kinderen niet over mogelijkheden om met de man contact te hebben en zich van hem een beeld te vormen. Er hebben eerder acht begeleide contactmomenten plaatsgevonden, die positief zijn verlopen, maar niettemin geen vervolg hebben gekregen. De kinderen hebben vervolgens geen uitleg gekregen over het abrupt stoppen van de begeleide contacten. Wel loopt er een ondertoezichtstelling, mede vanuit de bedoeling dat de moeder aan haar trauma’s en angsten zal gaan werken. Verder heeft [praktijk] aangegeven geen veiligheidsrisico’s in relatie tot contacten tussen de man en de kinderen te zien. Desondanks is er intussen geen vooruitgang geboekt. Er lijkt zelfs sprake van verdere achteruitgang, nu beide kinderen nadrukkelijk blijk geven van weerstand ten aanzien van contacten met de man. Bij elkaar maakt dit dat er in elk geval zwaarder op hulpverlening ingezet zal moeten gaan worden. 5.2. Met voormelde toelichting luidt het standpunt van de man dat - overeenkomstig het sub b vermelde verzoek - zal worden bepaald dat hij en de vrouw gezamenlijk met het gezag over de kinderen zullen zijn belast. Daarmee krijgt de man een meer gelijkwaardige positie in het geheel, wat gunstiger is voor het (kunnen) werken aan de doelstellingen van de ondertoezichtstelling. Ook beschikt de man in dat geval over meer mogelijkheden om zich bijvoorbeeld via de school op de hoogte te stellen omtrent de ontwikkeling van de kinderen. Nu wordt de man door de vrouw over de kinderen slechts op summiere wijze geïnformeerd. Het ontbreekt de man daardoor aan voldoende zicht op de ontwikkeling van beide kinderen en wat hen bezig houdt. Wat het sub a vermelde verzoek betreft luidt het standpunt van de man dat dit onderdeel zou moeten worden aangehouden, in afwachting van het verdere verloop en de resultaten van de ondertoezichtstelling. Daarbij speelt ook met name een rol dat de regie over het traject gericht op contactherstel tussen de man en de kinderen in handen van de GI dient te blijven. 5.3. Door en namens de vrouw is - samengevat - opgemerkt dat zij op de wachtlijst staat voor hulpverlening, omdat zij nog altijd kampt met trauma’s en herbelevingen uit het verleden. Hoewel zij graag zou zien dat de man erkent dat de gebeurtenissen, die daaraan ten grondslag liggen, daadwerkelijk hebben plaatsgevonden is haar gebleken dat hij daarover niet open en eerlijk is. Daarnaast ervaart de moeder dat bij beide kinderen sprake is van hoofd- en buikpijnklachten, alsook van bedplassen en nachtmerries. Dit trekt een zware wissel op haar, nu zij volledig met de zorg voor de kinderen is belast. De vrouw houdt de kinderen voor dat zij er achter staat dat zij begeleid contact hebben met de man. Ook worden de kinderen door haar daarop voorbereid. Desondanks laten de kinderen blijken geen contact met de man te willen. De vrouw ziet niet wat zij nog zou kunnen doen om dit te veranderen. De vrouw wenst wel dat de hulpverlening in het kader van de ondertoezichtstelling blijft doorlopen, ook opdat de regie over het traject gericht op contactherstel tussen de man en de kinderen bij de GI blijft berusten. 5.4. Met voormelde toelichting luidt primair het standpunt van de vrouw dat het sub b vermelde verzoek tot wijziging van het gezag moet worden afgewezen. Dit omdat de man en de vrouw niet op één lijn zitten over het verloop van hun relatie in het verleden, de gevoelens bij de vrouw daaromtrent door de man niet worden erkend en er daardoor geen of althans onvoldoende basis is voor gezamenlijke gezagsuitoefening. Ook betwijfelt de vrouw in sterke mate of in geval van gezamenlijke gezagsuitoefening er van (voldoende) gelijkwaardigheid sprake zal zijn. Ten aanzien van het sub a vermelde verzoek luidt het standpunt van de vrouw dat, hoewel een eindbeslissing op dat verzoek haar voorkeur heeft, het wat haar betreft de bedoeling is dat de regie over het traject gericht op contactherstel tussen de man en de kinderen in handen van de GI blijft. Ten slotte zal de vrouw ervoor blijven zorgen dat de man over de ontwikkeling van de kinderen wordt geïnformeerd. Voor zover die informatie verstrekking in de visie van de man onvoldoende is ligt het op zijn weg om aan te geven welke informatie hij verder nog van de vrouw zou willen ontvangen. 6 Het standpunt van de Raad Namens de Raad is - samengevat - aangevoerd dat er nog steeds sprake is van omstandigheden die maken dat de kinderen zich geen beeld van de man kunnen vormen. In het belang van de kinderen en hun (verdere) ontwikkeling dient daaraan gewerkt te blijven worden middels hulpverlening voor de kinderen en individuele hulpverlening voor de vrouw. Te denken valt waar het hulpverlening voor de vrouw betreft aan Flash forward EMDR. Dit betreft een intensief traject, maar kan de vrouw helpen om inzicht te krijgen in haar eigen situatie en die van de kinderen en hoe daarmee om te gaan. De GI kan daarin mogelijk ook een rol vervullen om ervoor te zorgen dat de vrouw hoger op de wachtlijst wordt geplaatst. Voor de kinderen adviseert de Raad om in elk geval de Word en Pictures methode te proberen. Van de man vraagt de Raad dat hij de komende tijd door middel van het sturen van kaartjes en/of videoboodschappen probeert voorzichtig te investeren in herstel van het contact met de kinderen. De oudercommunicatie blijft ook een punt van aandacht, maar heeft op dit moment niet de hoogste prioriteit. Van belang is dat de ouders zich niet langer blijven focussen op het verleden en hun afzonderlijke belevingen daaromtrent, maar dat zij al dat wat de kinderen aangaat zakelijk weten te benaderen en zij daarbij de belangen van de kinderen steeds voor ogen weten te houden. Verder is de Raad van mening dat over het contact tussen de man en de kinderen de regie bij de GI dient te blijven berusten. De situatie aangaande het gezag ligt in de visie van de Raad ingewikkelder. De Raad onthoudt zich van een advies over dat verzoek. Wel wenst de Raad de rechtbank bij de beoordeling van dit onderdeel ter overweging mee te geven dat, in geval van gezamenlijke gezagsuitoefening de man gevoelsmatig een gelijkwaardigere positie zal krijgen, maar daar tegenover staat dat er voor de vrouw en voor de kinderen nog intensieve hulpverleningstrajecten zullen starten, waardoor de kans aanwezig is dat de vrouw grotere druk zal ervaren en dit bij haar voor (extra) blokkades kan gaan zorgen. 7 De beoordeling 7.1. Ingevolge artikel 1:253c van het Burgerlijk Wetboek/BW kan de tot het gezag bevoegde vader van het kind, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder heeft uitgeoefend, de rechtbank verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag over het kind te belasten. Uit het tweede lid van voornoemd artikel volgt dat, indien dit verzoek ertoe strekt de ouders gezamenlijk met het gezag te belasten en de andere ouder niet instemt met gezamenlijk gezag, het verzoek slechts wordt afgewezen indien (a) er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen of (b) afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is. 7.2. Ingevolge artikel 1:377a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek(BW) heeft de niet met het gezag belaste ouder het recht op en de verplichting tot omgang met zijn kind. Op grond van lid 2 van dat artikel stelt de rechter op verzoek van de ouders of van één van hen, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vast dan wel ontzegt, al dan niet voor bepaalde tijd, het recht op omgang. De rechtbank ontzegt het recht op omgang ingevolge lid 3 van voornoemd artikel slechts indien a. omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind, b. de ouder kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang, c. het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang met zijn ouder heeft doen blijken, d. indien de omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind. 7.3. Uit de inhoud van de stukken en het verhandelde ter zitting is de rechtbank gebleken dat het door de GI in samenspraak met [praktijk] gemaakte plan, bedoeld om te komen tot contactherstel tussen de man en de kinderen op dit moment niet haalbaar is. Er zijn pogingen ondernomen om de kinderen zo goed mogelijk op begeleide contacten met de man voor te bereiden. Op die momenten hebben de kinderen laten zien dat zij verstijfden van angst en nadrukkelijk steun zochten bij de vrouw. Tijdens het kindgesprek heeft [minderjarige 1] herhaald dat hij geen contact met de man wil en dat hij de partner van de vrouw als zijn vader/opvoeder ziet. Met de Raad en de GI is de rechtbank van oordeel dat dit een erg zorgelijke situatie is, en deze een bedreiging vormt voor de verdere (identiteits)ontwikkeling van beide kinderen. Vast is komen te staan dat de GI in het kader van de lopende ondertoezichtstelling hulpverlening wenst te gaan inzetten in de vorm van speltherapie voor de kinderen. Daarnaast acht de GI het van belang dat de vrouw voor zichzelf hulpverlening accepteert bij het werken aan haar trauma’s en herbelevingen, nu die er in de visie van de GI nog steeds voor zorgen dat zij onvoldoende emotionele toestemming weet te geven voor contact tussen de kinderen en de man. De vrouw staat momenteel voor individuele hulpverlening op een wachtlijst. De GI zal in het kader van de ondertoezichtstelling mogelijk een rol kunnen vervullen bij het bespoedigen van die hulpverlening. 7.4. Uitgaande van de hiervóór beschreven factoren en omstandigheden, alsook rekening houdend met de gebleken uiteenlopende visies en belevingen van de ouders en hun onderlinge wantrouwen doet zich naar het oordeel van de rechtbank de situatie voor dat in geval van gezamenlijke gezagsuitoefening het risico in belangrijke mate aanwezig is dat de nog in te zetten hulpverlening voor de kinderen stagneert of voortijdig eindigt wegens het (komen te) ontbreken van instemming vanuit de beide ouders of het uitblijven van beslissingen daarover. De rechtbank acht gezamenlijk gezag bij deze omstandigheden niet in het belang van de kinderen en zal daarom het verzoek van de man (onderdeel b) tot gezamenlijk gezag afwijzen. 7.5. Ten aanzien van het verzoek van de man tot omgang met de kinderen overweegt te rechtbank als volgt. De rechtbank acht het in het belang van de kinderen en hun (identiteits)ontwikkeling dat ingezet blijft worden op contact tussen de man en de kinderen onder regie van de GI. De rechtbank zal het verzoek van de man (onderdeel a) in die zin toewijzen dat de man en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gerechtigd zullen zijn tot (on)begeleide omgang met elkaar, waarbij de invulling, duur, frequentie en uitbreiding wordt overgelaten aan de GI. Daarbij benadrukt de kinderrechter dat in de pogingen tot contactherstel het tempo van de kinderen moet worden gevolgd, nu beide kinderen op dit moment hebben aangegeven geen ruimte te voelen om te komen tot c.q. werken aan herstel van het contact met de man. Ook is gebleken dat zij kampen met nachtmerries en bedplassen en dat zij hoofd- en buikpijnklachten hebben. In het kader van de ondertoezichtstelling zal onderzocht worden waar deze klachten vandaan komen en zal hulpverlening voor de kinderen worden ingezet. Afhankelijk van de uitkomsten daarvan zal door de GI in samenspraak met alle betrokkenen (kunnen) worden bepaald wat er voor nu en in de (nabije) toekomst wel en niet mogelijk c.q. haalbaar is in het contact tussen de man en de kinderen. 7.6. Ten slotte wenst de rechtbank aan de man mee te geven dat het op zijn weg ligt om in samenspraak met de GI - waar mogelijk - te proberen door middel van het sturen van kaartjes en/of videoboodschappen naar de kinderen een opening te creëren voor herstel van het contact. Richting de vrouw wenst de rechtbank te benadrukken dat op haar de taak/verplichting rust om de man over de ontwikkeling van beide kinderen uitvoeriger te informeren, waaronder ook over hun dagelijkse bezigheden, opdat de man zich een goed beeld zal kunnen vormen van waar zij mee bezig zijn en wat er in hen om gaat. 7.7 Nu partijen een affectieve relatie met elkaar hebben gehad en het geschil betrekking heeft op hun beider kinderen, zullen de proceskosten worden gecompenseerd. 8 De beslissing De rechtbank bepaalt dat de man en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gerechtigd zijn tot (on)begeleide omgang met elkaar, in die zin dat de invulling, duur, frequentie en uitbreiding wordt overgelaten aan de GI; verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad; wijst het verzoek van de man sub a voor het overige en het door hem sub b gedane verzoek af; compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt. Deze beschikking is gegeven door mr. Maandag, kinderrechter, en uitgesproken ter openbare zitting van 2 juni 2026 in tegenwoordigheid van Baremans, griffier. Mededeling van de griffier : Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld: door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak, door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch. verzonden op: In verband met deze procedure/ten behoeve van een juiste procesvoering worden uw persoonsgegevens, voor zover nodig, verwerkt in een systeem van het gerecht.