Skip to content
Case Law · Rechtbank Amsterdam ·ECLI:NL:RBAMS:2026:7778 NL LLM context A cited markdown file you can paste into your AI assistant (ChatGPT, Claude, a RAG or project knowledge base) to ground it in this document. Contains: this document’s text, its sections with their topics, and the full text of every law provision it applies. Everything links back to its source on overview.legal — legal information, not advice.

Rechtbank Amsterdam, 30-07-2026 (13/064082-26)

Rechtbank Amsterdam
Summary

EAB Frankrijk. Gelet op de kaders van deze procedure is er geen ruimte om de complexe medische situatie van de opgeëiste persoon mee te laten wegen in het oordeel of de overlevering kan worden toegestaan. Of de medische omstandigheden van een opgeëiste persoon aanleiding geven tot opschorting van de feitelijke overlevering, omdat deze mogelijk wel ernstige humanitaire redenen vormen, moet worden vastgesteld in de procedure als bedoeld in artikel 35, derde lid, OLW. De overlevering is toegestaan.

Full text

RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13/064082-26 Datum uitspraak: 30 juli 2026 UITSPRAAK op de vordering van 13 maart 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 11 april 2019 door de Procureur de la République près le Tribunal de Grande Instance de Bordeaux , Frankrijk (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] , geboren op [geboortedag] 1960 in [geboorteplaats] (Kaapverdië). inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen: [adres] , hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1 Procesgang Zitting van 29 april 2029 De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 29 april 2026, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. M.P.M. Balemans, advocaat in Amsterdam. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Daarnaast heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen, met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak. Tussenuitspraak van 13 mei 2026 Bij tussenuitspraak van 13 mei 2026 heeft de rechtbank het onderzoek ter zitting heropend en voor onbepaalde tijd geschorst om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit de door de rechtbank geformuleerde vragen over de detentieomstandigheden voor te leggen. De rechtbank heeft in de tussenuitspraak de termijn waarbinnen de rechtbank op grond van artikel 22, eerste en derde lid, OLW uitspraak moet doen op grond van artikel 22, vijfde lid, OLW opnieuw met 30 dagen verlengd, onder gelijktijdige verlenging van de geschorste gevangenhouding met 30 dagen op grond van artikel 27, derde lid, OLW. Zitting van 10 juni 2026 De voortzetting van de behandeling van het EAB heeft - met instemming van partijen - in gewijzigde samenstelling plaatsgevonden op de zitting van 10 juni 2026. in aanwezigheid van mr. G.M. Kolman, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman. Tussenuitspraak van 24 juni 2026 Bij tussenuitspraak van 24 juni 2026 heeft de rechtbank het onderzoek ter zitting heropend en voor onbepaalde tijd geschorst om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit de door de rechtbank geformuleerde vraag over de detentieomstandigheden voor te leggen. De rechtbank heeft in de tussenuitspraak de termijn waarbinnen de rechtbank op grond van artikel 22, eerste en derde lid, OLW uitspraak moet doen op grond van artikel 22, vijfde lid, OLW opnieuw met 30 dagen verlengd, onder gelijktijdige verlenging van de geschorste gevangenhouding met 30 dagen op grond van artikel 27, derde lid, OLW. Zitting van 16 juli 2026 De voortzetting van de behandeling van het EAB heeft - met instemming van partijen - in gewijzigde samenstelling plaatsgevonden op de zitting van 16 juli 2026, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman. 2 Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft. 3 Tussenuitspraak van 13 mei 2026 In de tussenuitspraak van 13 mei 2026 heeft de rechtbank reeds geoordeeld over onder meer de grondslag en inhoud van het EAB (onder 3), de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW (onder 4), de strafbaarheid van het feit (onder 5) en de garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW (onder 6). Deze overwegingen moeten als hier herhaald en ingelast worden beschouwd. 4. Artikel 11 OLW; detentieomstandigheden Inleiding De rechtbank verwijst in dit kader allereerst naar haar overwegingen onder punt 7 van de tussenuitspraak van 13 mei 2026. Deze overwegingen moeten hier als herhaald en ingelast worden beschouwd. Daarnaast verwijst de rechtbank naar haar overwegingen onder punt 4 van de tussenuitspraak van 24 juni 2026. Deze overwegingen moeten ook als herhaald en ingelast worden beschouwd. In reactie op de naar aanleiding van de tussenuitspraak van 24 juni 2026 door het Internationaal Rechtshulpcentrum van het Openbaar Ministerie (IRC) gestelde vraag, heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit op 9 juli 2026 het volgende geantwoord: “Following discussions with the Agen Penitentiary Center, there are no longer any cell fitted out to accommodate a person with reduced mobility. In any event, the Bordeaux Inter-regional Directorate of Prison Services has informed us that 24-hour care in a special medical care unit within the detention facility or in a prison hospital is not possible.” Standpunt van de raadsman De raadsman heeft betoogd dat de opgeëiste persoon niet kan worden overgeleverd, omdat er geen medische zorg voor hem beschikbaar is en er zelfs geen plek voor iemand die niet mobiel is, zoals de opgeëiste persoon. Primair dient de officier van justitie niet-ontvankelijk te worden verklaard, subsidiair moet de overlevering worden geweigerd. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Oordeel van de rechtbank Zoals in de tussenuitspraken van 13 mei 2026 en 24 juni 2026 is overwogen heeft de rechtbank eerder een algemeen gevaar van schending van artikel 4 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest) aangenomen vanwege de overbevolking in meerpersoonscellen in reguliere Huizen van Bewaring voor mannelijke gedetineerden. Tevens heeft de rechtbank in de tussenuitspraak van 24 juni 2026 overwogen dat zij er vanuit gaat dat de opgeëiste persoon vanwege zijn complexe medische problematiek niet in een regulier Huis van Bewaring wordt gedetineerd. Uit de aanvullende informatie van 9 juli 2026 kan worden afgeleid dat de 24-uurs zorg die hij nodig heeft daar inderdaad niet kan worden geleverd. Daarmee staat voor de rechtbank vast dat opgeëiste persoon na overlevering niet in een regulier Huis van Bewaring, waarvoor het eerder aangenomen algemeen gevaar geldt, kan worden geplaatst. In die zin vormen de detentieomstandigheden daarom geen beletsel voor de overlevering. De rechtbank overweegt verder dat zij niet beschikt over objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens die zien op het ontbreken van toereikende zorg voor gedetineerden met de ernstige medische problematiek van de opgeëiste persoon. In het rapport van de European Committee for the Prevention of Torture and Inhuman or Degrading Treatment or Punishment (CPT) naar aanleiding van het bezoek aan Frankrijk tussen 23 september en 4 oktober 2024 worden weliswaar zorgen uitgesproken over het zorgaanbod in de bezochte Franse detentie-instellingen, maar daaruit kan niet worden afgeleid dat de zorgen zo structureel en ernstig zijn dat gedetineerden met de gecompliceerde medische problematiek van de opgeëiste persoon niet de benodigde zorg kunnen ontvangen. Het korte en, gelet op de inhoud van de tussenuitspraak van 24 juni 2026, weinig informatieve bericht van 9 juli 2026 van de Franse autoriteiten is opmerkelijk, maar op zichzelf evenmin toereikend om een dergelijk algemeen gevaar op te kunnen baseren, nog daargelaten dat die informatie desgevraagd specifiek in de onderhavige zaak ten behoeve van de opgeëiste persoon is verstrekt. Het bepaalde in artikel 11 OLW staat daarom niet aan overlevering in de weg. De rechtbank is zich echter terdege bewust van de complexe medische situatie van de opgeëiste persoon en de intensieve zorg die hij nodig heeft. Gelet op de kaders van deze procedure is er echter geen ruimte om dit mee te laten wegen in het oordeel of de overlevering kan worden toegestaan. De medische omstandigheden van een opgeëiste persoon kunnen mogelijk wel ernstige humanitaire redenen vormen die aanleiding geven tot opschorting van de feitelijke overlevering. Dat dient echter te worden vastgesteld in de procedure als bedoeld in artikel 35, derde lid, OLW. De rechtbank ziet in de medische situatie van de opgeëiste persoon aanleiding om de overleveringsdetentie te schorsen tot aan de feitelijke overlevering. Dit bevel is afzonderlijk opgemaakt. 5 Slotsom De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. De rechtbank staat daarom de overlevering toe. 6 Toepasselijke wetsbepalingen De artikelen 2, 5, 6 en 7 OLW. 7 Beslissing STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de Procureur de la République près le Tribunal de Grande Instance de Bordeaux (Frankrijk) voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. SCHORST de overleveringsdetentie tot aan de feitelijke overlevering. Dit bevel is afzonderlijk opgemaakt. Deze uitspraak is gedaan door mr. O.P.M. Fruytier, voorzitter, mrs. L. Sanders en A.B.M. Wijnveldt, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.W. van der Hoek, griffier, en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 30 juli 2026. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 Overleveringswet. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. ECLI:NL:RBAMS:2026:4703. ECLI:NL:RBAMS:2026:6495.

Similar Content