Rechtbank Den Haag, 22-06-2026 (C/09/705085 / KG ZA 26/505)
Geschil tussen een niet-gecontracteerde zorgaanbieder en een zorgverzekeraar. Opname (persoons)gegevens in het Incidentenregister en Extern Verwijzingsregister. Vordering van zorgaanbieder tot verwijdering van registraties afgewezen. Ook overige vorderingen waaronder een vordering tot rectificatie en een vordering tot betaling van een voorschot op schadevergoeding afgewezen.
Full text
Rechtbank den haag Team handel - voorzieningenrechter zaak- / rolnummer: C/09/705085 / KG ZA 26/505 Vonnis in kort geding van 22 juni 2026 in de zaak van 1 [eiseres sub 1] B.V. te De Meern, 2. [eiseres sub 2] te [woonplaats] , eiseressen, advocaat mr. I. Brouwer te Amsterdam, tegen: Onderlinge Waarborgmaatschappij ZORGVERZEKERAAR ZORG EN ZEKERHEID U.A. te Leiden, gedaagde, advocaat mr. A.C. van der Salm te Den Haag. Eiseressen sub 1 en 2 worden hierna achtereenvolgens ‘ [eiseres sub 1] ’ en ‘ [eiseres sub 2] ’ genoemd. Gezamenlijk worden zij ‘eiseressen’ genoemd. Gedaagde wordt hierna Z&Z genoemd. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 27 mei 2026 met producties 1 tot en met 17; - de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 37; - de op 8 juni 2026 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door beide partijen pleitnotities zijn overgelegd. 1.2. Tijdens de zitting is vonnis bepaald op vandaag. 2 De feiten Op grond van de stukken en hetgeen ter zitting besproken is, wordt in dit geding van het volgende uitgegaan. 2.1. Z&Z is een zorgverzekeraar. [eiseres sub 1] is een zorgverlener, die sinds 2019 onder meer thuiszorg verleent als niet-gecontracteerde zorgaanbieder bij Z&Z. Zij levert zorg aan verzekerden en declareert deze zorg op basis van een machtiging. De verzekerden ontvangen een (gedeeltelijke) vergoeding van Z&Z. [eiseres sub 2] is bestuurder en enig aandeelhouder van [bedrijfsnaam 1] B.V. die op haar beurt enig aandeelhouder en bestuurder is van [eiseres sub 1] . Tot 7 oktober 2025 was ook [bedrijfsnaam 2] B.V. bestuurder van [eiseres sub 1] , met de heer [naam 1] als bestuurder en enig aandeelhouder. 2.2. [eiseres sub 1] heeft vanaf 5 januari 2021 zorg verleend aan de heer [patiënt] , die verzekerd was bij Z&Z. Z&Z had toen nog geen machtiging afgegeven, maar de zorg voor [patiënt] is toen al opgestart. Wijkverpleegkundige [wijkverpleegkundige] had voor [patiënt] een zorgplan opgesteld en indiceerde 5 uur en 50 minuten uur per week voor persoonlijke verzorging en 7 uur verpleging per week. Zij heeft bij Z&Z een persoonsgebonden budget (PGB) voor [patiënt] aangevraagd voor 5 uur en 50 minuten verzorging en 7 uur verpleging per week. In een eerder bericht heeft [patiënt] geschreven dat hij zelf in staat is op te treden als beheerder (van het PGB) en dat hij goed is in de Nederlandse taal en geschrift. Dat laatste is later onjuist gebleken. 2.3. Omdat [patiënt] niet in staat zou zijn om zelf het PGB te beheren, is de aanvraag voor een PGB afgewezen. De aanvraag is toen omgezet in een aanvraag voor niet-gecontracteerde zorg. Z&Z heeft die aanvraag op 29 juli 2021 goedgekeurd en toestemming verleend voor vergoeding van zorg die ingaat op 5 januari 2021 en geldt tot 5 november 2021. Ook is toen door Z&Z een machtiging afgegeven vanaf 5 augustus 2021 voor drie maanden. Vervolgens zijn de facturen die [eiseres sub 1] aan [patiënt] stuurde voor de eerdere verleende zorg door Z&Z aan [patiënt] vergoed. [patiënt] heeft de door [eiseres sub 1] gestuurde facturen voldaan. Op 2 november 2021 heeft Z&Z van [eiseres sub 1] weer een machtingsaanvraag voor [patiënt] ontvangen, deze is door Z&Z op 17 november 2021 afgegeven. 2.4. Op 30 juli 2024 heeft Z&Z van de Nederlandse Arbeidsinspectie (NLA) een proces-verbaal schadebeperkende maatregel zorgfraude ontvangen. In dit proces-verbaal zijn verschillende meldingen over zorgfraude. De fraude zou eruit bestaan dat meer zorg wordt aangevraagd dan cliënten nodig hebben. Voor hen wordt daarna meer zorg gedeclareerd dan geleverd. De cliënten zouden delen in de opbrengst. In meldingen wordt ook een verband gelegd tussen [eiseres sub 1] en andere zorginstellingen die fraude hebben gepleegd of daarvan worden verdacht. Ook volgt uit de melding dat [eiseres sub 1] over 2020 en 2021 veel hogere winstcijfers heeft (16% en 21%) dan in de markt gebruikelijk is (ongeveer 2 tot 4%). 2.5. Z&Z is daarna een onderzoek gestart naar de door [eiseres sub 1] over 2022 ingediende declaraties. Aanvankelijk heeft het onderzoek zich gericht op de declaraties voor twee bij Z&Z verzekerden waarvoor [eiseres sub 1] zorg had geleverd. Het onderzoek heeft zich vervolgens toegespitst op de declaraties voor [patiënt] , in welk verband de declaraties voor 2021 ook zijn onderzocht. De declaraties van de andere verzekerde gaven geen aanleiding tot nader onderzoek. Bij brief van 10 januari 2025 heeft Z&Z i) zorgrapportages, ii) de zorgplanning en/of urenregistraties en iii) kopieën van zorgdiploma’s van ingezette zorgverleners bij [eiseres sub 1] opgevraagd. Ook heeft Z&Z een verklaring gevraagd voor het hoge winstpercentage van [eiseres sub 1] . 2.6. [eiseres sub 1] heeft Z&Z vervolgens informatie verstrekt. Z&Z en [eiseres sub 1] hebben daarna uitvoerig met elkaar gecorrespondeerd. De door [eiseres sub 1] toegestuurde informatie heeft geleid tot vervolgvragen van Z&Z. Ook de daarop ontvangen antwoorden hebben weer geleid tot verdere vragen. Z&Z heeft ook zelf bronnen geraadpleegd en [eiseres sub 1] gevraagd om uitleg. Dit heeft er al met al toe geleid dat Z&Z op 1 augustus 2025 aan [eiseres sub 1] schriftelijk haar voorlopige bevindingen heeft meegedeeld. Z&Z concludeerde samengevat dat de door [eiseres sub 1] overgelegde zorgrapportages vals zijn, dat [eiseres sub 1] na confrontatie aanvullende valse stukken heeft overgelegd en dat [eiseres sub 1] artikel 35 Wet marktordening gezondheidszorg (Wmg) heeft geschonden doordat [eiseres sub 1] behandelingen in rekening heeft gebracht die niet hebben plaatsgevonden. [eiseres sub 1] heeft de voorlopige bevindingen met klem weersproken. Zij heeft daarna ook aanvullende informatie verstrekt. 2.7. Z&Z heeft het onderzoek afgerond en [eiseres sub 1] op 9 december 2025 geschreven dat zij haar voorlopige bevindingen handhaaft en dat zij concludeert dat sprake is van fraude. Z&Z heeft de uitbetaalde declaraties van € 69.738,20 voor de verpleging van [patiënt] teruggevorderd. Z&Z heeft verder meegedeeld dat zij de (persoons)gegevens van [eiseres sub 1] en [eiseres sub 2] voor de duur van acht jaar opneemt in het Incidentenregister (IR) en voor vijf jaar in het Extern Verwijzingsregister (EVR). Ook heeft Z&Z vergoeding van gemaakte onderzoekskosten gevorderd van € 1.022,20. De daarna gewisselde correspondentie heeft Z&Z niet tot een ander standpunt gebracht. 3 Het geschil 3.1. Eiseressen vorderen – zakelijk weergegeven – bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, op straffe van een dwangsom van € 2.500 voor iedere dag dat Z&Z in gebreke blijft hieraan te voldoen, na betekening van het vonnis: Z&Z te veroordelen tot onmiddellijke verwijdering van [eiseres sub 1] en [eiseres sub 2] uit de frauderegistratie in het IR en in het EVR; Z&Z te verbieden om eiseressen opnieuw als fraudeur te registreren zonder rechterlijke toets; Z&Z te veroordelen tot intrekking van de terugvordering van € 69.738,20 en de buitengerechtelijke kosten en wettelijke rente; Z&Z te verbieden om mededelingen te doen aan derden waarin eiseressen als fraudeur worden aangemerkt; Z&Z te veroordelen tot openbare rectificatie van de beschuldigingen aan het adres van eiseressen en mededeling van intrekking van de maatregelen, op een door eiseressen goedgekeurde wijze; Z&Z te veroordelen tot betaling aan [eiseres sub 1] van het bedrag van € 68.000 als voorschot op schadevergoeding die in de bodemprocedure zal worden gevorderd, althans van een zodanig bedrag als de voorzieningenrechter in goede justitie zal vermenen te behoren Z&Z te veroordelen in de proceskosten; en te beslissen zoals de voorzieningenrechter in goede justitie zal vermenen te behoren. 3.2. Daartoe voeren eiseressen – samengevat – het volgende aan. Z&Z heeft op basis van onjuiste gegevens, onvolledig onderzoek en zonder serieus in te gaan op weerwoord van [eiseres sub 1] haar conclusies getrokken. Eiseressen hebben geen valse declaraties ingediend, zij hebben Z&Z niet misleid en zij hebben niet meer zorg gedeclareerd dan is verleend. Er zijn (administratieve) fouten gemaakt die te wijten zijn aan de corona-periode waarin onder bijzondere omstandigheden zorg moest worden verleend, maar deze fouten zijn hersteld. De zware maatregelen van Z&Z zijn dan ook onrechtmatig en leiden tot omzetverlies, bedrijfsschade, financieringsproblemen en mogelijk een faillissement. De (persoons)gegevens van eiseressen moeten dan ook uit de registers worden verwijderd. Voor [eiseres sub 2] geldt daarbij dat de registratie ernstige gevolgen heeft voor haar gezondheid. Voor terugvordering van betaalde declaraties bestaat geen grond. Eiseressen hebben belang bij een rectificatie van Z&Z en ook hebben zij recht op een voorschot op schadevergoeding. 3.3. Z&Z voeren verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken. 4 De beoordeling van het geschil Spoedeisend belang 4.1. Z&Z betwist het spoedeisend belang van eiseressen bij de vorderingen omdat zij volgens Z&Z niet hebben aangetoond dat de registraties in het IR en EVR een nadelig effect hebben op de bedrijfsvoering van [eiseres sub 1] en op de gezondheid van [eiseres sub 2] . De voorzieningenrechter oordeelt dat eiseressen wel voldoende aannemelijk hebben gemaakt dat zij ernstig worden belemmerd door de registraties. Zo stelt [eiseres sub 1] onder meer dat zij vanwege de registraties geen nieuwe autoverzekering voor haar bedrijfsauto bij ASR kan afsluiten, waardoor haar werknemers cliënten met een eigen auto moeten bezoeken. [eiseres sub 1] heeft daarnaast voldoende aannemelijk gemaakt dat de registraties de bedrijfsvoering nadelig beïnvloeden. Personeel is op de hoogte van de registraties en terugvorderingen van Z&Z en het is begrijpelijk dat dit tot onrust leidt. Dat de registraties en discussie over de gestelde frauduleuze handelingen van eiseressen ook op [eiseres sub 2] (als bestuurder) een zware wissel trekt is eveneens aannemelijk gemaakt. Over de registraties in het IR en het EVR 4.2. Eiseressen vorderen een veroordeling van Z&Z tot verwijdering van zowel de registraties in het IR als het daaraan gekoppelde EVR. Voor deze registraties gelden verschillende regels en maatstaven. Opname in het IR en EVR vindt slechts plaats – en is alleen aanvaardbaar – voor zover de opname in overeenstemming is met de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) en het Protocol Incidentenwaarschuwingssysteem Financiële Instellingen (PIFI). Op grond van het PIFI kan registratie plaatsvinden, kort gezegd, als i) de gedraging van de betrokken (recht)persoon, [eiseres sub 1] en [eiseres sub 2] in dit geval, een bedreiging vormt of kan vormen voor de verzekeraar of de financiële sector, ii) in voldoende mate vaststaat dat [eiseres sub 1] en [eiseres sub 2] betrokken zijn bij de laakbare gedragingen en iii) bij de registratie het proportionaliteitsbeginsel in acht is genomen. 4.3. Voor opname in de registers is niet vereist dat sprake is van een veroordeling door de strafrechter. Er moet sprake zijn van zodanig concrete feiten en omstandigheden dat voldoende bewijs beschikbaar is van een strafbare gedraging. Er moet dus duidelijk meer zijn dan enkel een redelijk vermoeden van schuld. Uitgangspunt is verder dat het aan de verzekeraar, Z&Z in dit geval, is om te concretiseren en te onderbouwen waarom registratie gerechtvaardigd is. Ten slotte moet, zowel op grond van de AVG als op grond van het PIFI, een belangenafweging plaatsvinden, waarbij alle bekende feiten en omstandigheden moeten worden betrokken. Bij elke verwerking van persoonsgegevensregistratie moet zijn voldaan aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit. 4.4. Z&Z maakt eiseressen een groot aantal verwijten waaruit zij de conclusie trekt dat [eiseres sub 1] in strijd met artikel 35 en 36 van de Wmg zorg heeft gedeclareerd en dat aan de gehele zorgadministratie van [eiseres sub 1] geen waarde kan worden toegekend. Ter onderbouwing van deze conclusies stelt Z&Z dat: [eiseres sub 1] zorgdeclaraties heeft gestuurd voor data waarop [patiënt] in het ziekenhuis heeft gelegen; en de zorgrapportages, werkroosters, niet-thuis notificaties en correctiebrieven van [eiseres sub 1] niet authentiek zijn en dat van een administratieve vergissing geen sprake is. Z&Z heeft verder gewezen op diverse nevenbevindingen die haar conclusies ondersteunen. Zo wijst Z&Z onder meer op de bovenmatig hoge winstpercentages van [eiseres sub 1] , de hoge contant opgenomen bedragen door [eiseres sub 1] en betrokkenheid van ongekwalificeerd personeel. Eiseressen hebben de conclusies en onderbouwing daarvan door Z&Z betwist. 4.5. De voorzieningenrechter oordeelt dat Z&Z voldoende concrete feiten en omstandigheden uiteen heeft gezet waaruit geconcludeerd kan worden dat sprake is van meer dan alleen een redelijk vermoeden van schuld van [eiseres sub 1] dat zij in strijd heeft gehandeld met de artikelen 35 en 36 Wmg door het opstellen en aanleveren van valse documenten. Dit wordt als volgt onderbouwd. Declaraties voor zorg tijdens ziekenhuisopnames; onjuiste zorgrapportages en correctiebrieven 4.6. Z&Z heeft van twee ziekenhuizen informatie ontvangen over ziekenhuisopnamen van [patiënt] . [patiënt] is opgenomen geweest op de volgende dagen: van 10 maart 2021 (13:59 uur) tot en met 11 maart 2021 (14:17 uur); van 11 mei 2021 (21:31 uur) tot en met 13 mei 2021 (16:26 uur); van 7 augustus 2021 (22:54 uur) tot en met 9 augustus 2021 (16:54 uur); en van 24 mei 2022 (14:00 uur) tot en met 25 mei 2022 (16:00 uur). Gebleken is dat [eiseres sub 1] over deze periodes wel zorgrapportages heeft opgesteld en zorg heeft gedeclareerd, in lijn met de zorgindicaties en gegeven machtigingen. Uit de zorgrapportages blijkt dat in de periode van ziekenhuisopnames zeer specifiek omschreven zorghandelingen voor [patiënt] zijn beschreven. Tijdens de opname 10 maart 2021 tot 11 maart 2021: Tijdens opname 11 mei 2021 tot 13 mei 2021: Tijdens opname 24 mei 2022 tot 25 mei 2022: 4.7. Met Z&Z oordeelt de voorzieningenrechter dat deze rapportages niet juist kunnen zijn omdat [patiënt] in deze periodes in het ziekenhuis verbleef. Bovendien is over deze ziekenhuisopnames in de zorgrapportages helemaal niets opgenomen, terwijl de rapportages wel gedetailleerd verklaren over de aanwezigheid van [patiënt] en de aan hem (thuis) verleende zorg. Daarmee kan niet gesproken worden over administratieve onvolkomenheden van incidentele aard, zoals [eiseres sub 1] doet. Dat de opnames hebben plaatsgevonden in corona-tijd waarin, zoals eiseressen aanvoeren, het opstellen van zorgrapportages onder druk stond, kan ook niet als geldige verklaring dienen. Het is juist dat in die periode van zorgverleners veel werd gevraagd, maar eiseressen hebben onvoldoende geconcretiseerd aangevoerd dat zorgverleners in die periode geen pen of papier naar cliënten mochten meenemen zodat zij geen deugdelijke administratie konden bijhouden. Maar ook als de administratieve vastlegging van verleende zorg in die periode op een later moment plaatsvond, dan wordt daarmee niet verklaard dat in geen van de zorgrapportages iets te lezen is over de ziekenhuisopnames van [patiënt] . Ook niet in de periodes die aan die opnames vooraf zijn gegaan, of die achteraf hebben plaatsgehad. Dat had wel voor de hand gelegen, zeker nu de overgelegde zorgrapportages een relatief hoog detailniveau kennen. 4.8. De stelling van Z&Z dat de zorgrapportages in zijn algemeenheid onjuist zijn en wijzen op knip- en plakwerk, is door eiseressen weersproken. Zo stellen zij in hun brief van 3 februari 2026 waarin zij hun zienswijze uiteenzetten, dat het veelvuldig gebruik van het woord ‘versterken’ (van medicatie) in plaats van het ‘verstrekken’ (van medicijnen) (772 keer in 2021 en 562 keer in 2022) in de rapportages een kennelijke verschrijving is, die niet duidt op knip- en plakwerk. Dat verweer is niet geloofwaardig. Ter zitting heeft mevrouw [eiseres sub 2] , die als verzorgende heeft gewerkt, overigens verklaard dat de zorgrapportages wel geknipt en geplakt zijn. Met Z&Z oordeelt de voorzieningenrechter dat de zorgrapportages niet authentiek zijn. De consequent onjuiste spelling van het woord ‘verstrekken’ door twee verschillende zorgmedewerkers en het onvermeld blijven van de ziekenhuisopnames van [patiënt] , en in plaats daarvan gedetailleerde beschrijvingen van niet-geleverde zorg ten tijde van de ziekenhuisopnames, maken dat de zorgrapportages niet als authentiek kunnen worden aangemerkt. Het belang van correcte administratie is evident voor een verzekeraar die voor uitbetaling van zorggelden moet afgaan op de informatie die zij krijgt van de zorgaanbieders. 4.9. Los hiervan betwisten eiseressen dat zij teveel zorg in rekening hebben gebracht. Zij stellen dat zij in de periodes dat [patiënt] in het ziekenhuis lag, een zogenaamd ‘niet thuis’ bericht achter lieten met daarop de datum, de naam van de cliënt en de naam van de zorgverlener. Die berichten werden in kopie aan de boekhouder gegeven, en deze verwerkte de berichten in de boekhouding, waarna een herstelbrief werd gestuurd met een uitleg en berekening van de vermindering van de facturen, zo stellen eiseressen. Eiseressen hebben enkele van deze ‘niet thuis’ berichten overgelegd. Ook hebben zij herstelverklaringen over 2021 en 2022 overgelegd. Z&Z stelt dat ook deze ‘niet thuis’ verklaringen en de correctiebrieven zijn gefabriceerd en dus niet authentiek zijn. In dat verband is het volgende van belang. 4.10. Allereerst geldt dat niet is gebleken dat aan [patiënt] creditfacturen zijn gestuurd. Ook is van terugbetaling aan Z&Z of [patiënt] niet gebleken, hoewel de bankrekeningnummers bij [eiseres sub 1] bekend waren. Dat maakt op voorhand al onduidelijk wat de relevantie is van de correctiebrieven die [eiseres sub 1] zou hebben gestuurd. Z&Z meent daarbij dat deze correctiebrieven vals zijn opgesteld. De voorzieningenrechter oordeelt dat Z&Z voor dat standpunt voldoende heeft aangevoerd. 4.11. [eiseres sub 1] heeft correctiebrieven overgelegd met de volgende data: 12 april 2021, 18 juni 2021, 10 september 2021, 16 december 2021 en 10 juni 2022. Z&Z heeft [eiseres sub 1] erop gewezen dat al deze brieven bij de ondertekening een stempel van [eiseres sub 1] dragen waarin het adres [adres 1] is verwerkt. Z&Z stelt dat [eiseres sub 1] ten tijde van het beweerdelijk versturen van de brieven van 12 april en 18 juni 2021 nog niet op dit nieuwe adres was gevestigd, zodat het niet anders kan dat de brieven pas toen Z&Z vragen heeft gesteld over de gevoerde administratie, zijn opgesteld met het oogmerk om Z&Z te misleiden. [eiseres sub 1] betwist dit. Zij stelt dat het misschien verwarrend is dat [eiseres sub 1] al voordat zij haar nieuwe pand betrok gebruik maakte van een stempel met daarin het adres van het nog door haar te huren pand, maar dat van een vervalsing geen sprake is. Dit verweer slaagt niet. [eiseres sub 1] heeft eerder aangevoerd dat zij in september 2021 haar intrek nam in het pand aan de [adres 1] . Daarvoor hield zij kantoor aan de [adres 2] . Z&Z heeft een kopie van een huurovereenkomst voor het kantoorpand aan de [adres 1] overgelegd. De overeenkomst is getekend op 11 mei 2021 en kent als ingangsdatum 1 juli 2021. Met Z&Z oordeelt de voorzieningenrechter dat in ieder geval voor de correctiebrief van 12 april 2021 niet plausibel is gemaakt dat deze een stempel bevat waarin het nieuwe adres is opgenomen. Deze correctiebrief bevat bovendien op pagina 1 ook gewoon het oude adres [adres 2] . 4.12. De verklaring dat de toenmalige medebestuurder [naam 2] begin 2021 tijdens een vakantie in Turkije in zijn enthousiasme al een stempel heeft laten maken voor het nieuwe adres waar [eiseres sub 1] naartoe zou verhuizen, overtuigt niet. Enig bewijs van de aankoopdatum van de stempel en de reis naar Turkije is niet overgelegd. Het is daarbij ongeloofwaardig dat begin 2021 al vooruit is gelopen op de mogelijke huur van een nieuwe locatie door de aankoop van een stempel en dat deze vervolgens ook al is gebruikt in de periode dat er nog geen huurovereenkomst gesloten was en van een verhuizing nog geen sprake was (12 april 2021). De verklaring van de zijde van eiseressen ter zitting dat de verhuurder verklaard heeft dat al eerder in het jaar met [eiseres sub 1] gesproken is over het sluiten van een huurovereenkomst maakt dit niet anders. Ook die omstandigheid verklaart niet waarom ruimschoots voor de verhuizing, en zelfs het sluiten van een huurovereenkomst, op brieven aan derden het toekomstige adres gebruikt wordt. 4.13. Met Z&Z oordeelt de voorzieningenrechter dat de correctiebrief van 12 april 2021 niet voor authentiek kan worden gehouden en dat in het verlengde daarvan ervan moet worden uitgegaan dat ook de overige correctiebrieven pas later zijn opgemaakt met het doel om verweer richting Z&Z te onderbouwen. In dat licht oordeelt de voorzieningenrechter dat sprake is van concrete feiten en omstandigheden dat [eiseres sub 1] in strijd heeft gehandeld met de artikelen 35 en 36 Wmg en dat zij daarbij valse documenten heeft aangeleverd. 4.14. De overige omstandigheden die Z&Z in deze procedure naar voren heeft gebracht (het gestelde ongeloofwaardig zware werkrooster gedurende twee jaar waarbij twee werknemers zeven dagen per week, driemaal daags zorg aan [patiënt] hebben verleend, de hoge winstpercentages, de opnames van contact geld en de betrokkenheid van ongekwalificeerd personeel) kunnen hier verder onbesproken blijven. 4.15. De hiervoor genoemde feiten rechtvaardigen dat Z&Z is overgegaan tot opname van de (persoons)gegevens van eiseressen in het IR en EVR. Voor wat betreft [eiseres sub 2] geldt dat zij als (indirect) bestuurder verantwoordelijk is voor de organisatie van [eiseres sub 1] en dat zij aanspreekpunt is voor Z&Z, zodat de feiten haar ook toegerekend kunnen worden. [eiseres sub 2] heeft geen plausibele verklaring gegeven voor genoemde feiten die tot het oordeel leiden dat zij van dit alles niet op de hoogte is geweest of kon zijn. Het belang van Z&Z bij het waarschuwen van andere financiële instellingen weegt zwaarder dan de belangen van eiseressen, zodat zij op juiste grond is overgegaan tot de registraties. De vordering tot het verwijderen van de registraties wordt afgewezen. Nu de registraties mogen blijven staan, wordt ook het onder 2 gevorderde afgewezen. Gevorderde intrekking terugvordering van declaraties door Z&Z 4.16. [eiseres sub 1] stelt dat Z&Z ten onrechte aanspraak maakt op terugbetaling van betaalde declaraties ter hoogte van € 69.738,20. Zij vordert veroordeling van Z&Z tot intrekking van deze vordering. Deze vordering wordt afgewezen. Z&Z komt een fundamenteel recht toe om haar gestelde vordering aan de (bodem)rechter voor te leggen. Toewijzing van de vordering zou betekenen dat Z&Z daarvan wordt afgehouden. Het is aan [eiseres sub 1] om zich zo nodig in een procedure tegen de vordering van Z&Z te verweren. Op de gestelde vordering van Z&Z en het verweer van [eiseres sub 1] kan in deze kortgedingprocedure niet vooruit worden gelopen. Gevorderde verbod tot het doen van mededelingen 4.17. Ook het onder 4 gevorderde wordt afgewezen. Gelet op het oordeel dat Z&Z over mocht gaat tot registratie van de (persoons)gegevens van eiseressen kan haar niet worden verboden om aan – binnen de daarvoor geldende kaders aangewezen – derden over hen mededelingen te doen de verband houden met de registraties. Dat Z&Z zich verder niet zou houden aan het PIFI of dat zij zonder gegronde reden derden informeert over de registraties is niet gesteld en ook niet gebleken. Ook daarin wordt geen grond gezien om Z&Z een verbod op te leggen. Gevorderde rectificatie 4.18. Gelet op het oordeel over de registraties van eiseressen is er geen aanleiding om Z&Z tot rectificatie te veroordelen. Vooralsnog vinden de registraties steun in de door Z&Z aangedragen feiten en omstandigheden. Z&Z stelt overigens onweersproken dat zij zich nooit openbaar over de zaak heeft uitgesproken, zodat er ook om die reden geen grond zou zijn om Z&Z tot rectificatie te veroordelen. Gevorderde voorschot op schadevergoeding 4.19. Tot slot wordt ook het door [eiseres sub 1] gevorderde voorschot op schadevergoeding afgewezen. De registraties door Z&Z zijn naar voorlopig oordeel niet onrechtmatig. Daarmee bestaat er nu geen grond voor veroordeling van Z&Z tot het betalen van (een voorschot op) schadevergoeding. 4.20. Eiseressen zijn in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Z&Z worden begroot op: - griffierecht € 3.083 - salaris advocaat € 1.177 - nakosten € 189 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 4.449 5 De beslissing De voorzieningenrechter: 5.1. wijst de vorderingen van eiseressen af; 5.2. veroordeelt eiseressen hoofdelijk in de proceskosten van € 4.449, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als eiseressen niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend, dan moeten zij € 98 extra betalen, plus de kosten van betekening; 5.3. verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. R.C. Hartendorp en in het openbaar uitgesproken op 22 juni 2026. ddg Artikel 35 eerste lid onder d Wmg: Het is een zorgaanbieder verboden een tarief in rekening te brengen: voor een prestatie waarvoor een andere prestatiebeschrijving wordt gehanteerd dan op grond van artikel 50, eerste lid, onderdeel d, is vastgesteld; HR 29 mei 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH4720. Artikel 36 eerste lid Wmg: Zorgaanbieders en ziektekostenverzekeraars voeren een administratie waaruit in ieder geval de overeengekomen en geleverde prestaties blijken, alsmede wanneer die prestaties zijn geleverd, aan welke patiënt onderscheidenlijk aan welke verzekerde die prestaties door een zorgaanbieder zijn geleverd, de daarvoor in rekening gebrachte tarieven en de in verband daarmee ontvangen of verrichte betalingen of vergoedingen aan derden.